18 Al-Kahf (De Grot)
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige
اَلۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡۤ اَنۡزَلَ عَلٰی عَبۡدِہِ الۡکِتٰبَ وَ لَمۡ یَجۡعَلۡ لَّہٗ عِوَجًا ؕ﴿ٜ۱﴾
018.001 Alhamdu lillahi allathee anzala AAala AAabdihi alkitaba walam yajAAal lahu AAiwajan
18:1 Alle dank en lof behoort aan Allah toe, Degenen Die aan zijn dienaar (Mohammed) het Boek heeft neergezonden. En er is geen gebrekkigheid/scheefheid in vermeld.

قَیِّمًا لِّیُنۡذِرَ بَاۡسًا شَدِیۡدًا مِّنۡ لَّدُنۡہُ وَ یُبَشِّرَ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ الَّذِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ الصّٰلِحٰتِ اَنَّ لَہُمۡ اَجۡرًا حَسَنًا ۙ﴿۲﴾
018.002 Qayyiman liyunthira ba/san shadeedan min ladunhu wayubashshira almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajran hasanan
18:2 (De Koran is duidelijk en) Rechtdoorzee, om te waarschuwen voor Zijn harde straf. En om het goede nieuws aan te kondigen voor de gelovigen, degenen die goede daden verrichten, dat er voor hen een mooie beloning is (het Paradijs).

مَّاکِثِیۡنَ فِیۡہِ اَبَدًا ۙ﴿۳﴾
018.003 Makitheena feehi abadan
18:3 Waar ze voor altijd in zullen verblijven.

وَّ یُنۡذِرَ الَّذِیۡنَ قَالُوا اتَّخَذَ اللّٰہُ وَلَدًا ٭﴿۴﴾
018.004 Wayunthira allatheena qaloo ittakhatha Allahu waladan
18:4 En om degenen te waarschuwen, die zeggen: "Allah heeft een zoon genomen."

مَا لَہُمۡ بِہٖ مِنۡ عِلۡمٍ وَّ لَا لِاٰبَآئِہِمۡ ؕ کَبُرَتۡ کَلِمَۃً تَخۡرُجُ مِنۡ اَفۡوَاہِہِمۡ ؕ اِنۡ یَّقُوۡلُوۡنَ اِلَّا کَذِبًا ﴿۵﴾
018.005 Ma lahum bihi min AAilmin wala li-aba-ihim kaburat kalimatan takhruju min afwahihim in yaqooloona illa kathiban
18:5 Echter, ze hebben geen enkel kennis er over, noch hun voorvaders. Zeer slecht zijn de woorden die uit hun monden voortkomen. Ze zeggen niets anders dan leugens.

فَلَعَلَّکَ بَاخِعٌ نَّفۡسَکَ عَلٰۤی اٰثَارِہِمۡ اِنۡ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا بِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَسَفًا ﴿۶﴾
018.006 FalaAAallaka bakhiAAun nafsaka AAala atharihim in lam yu/minoo bihatha alhadeethi asafan
18:6 (O Mohammed), als ze niet in deze boodschap geloven, misschien zul je door verdriet voor hen, jezelf vernietigen.

اِنَّا جَعَلۡنَا مَا عَلَی الۡاَرۡضِ زِیۡنَۃً لَّہَا لِنَبۡلُوَہُمۡ اَیُّہُمۡ اَحۡسَنُ عَمَلًا ﴿۷﴾
018.007 Inna jaAAalna ma AAala al-ardi zeenatan laha linabluwahum ayyuhum ahsanu AAamalan
18:7 Voorzeker, Wij hebben alles wat op de aarde is als een versiering gemaakt om hen te beproeven in welke van hen het beste is in (het verrichten van) goede daden. (Notitie: zie ook 67:2)

وَ اِنَّا لَجٰعِلُوۡنَ مَا عَلَیۡہَا صَعِیۡدًا جُرُزًا ؕ﴿۸﴾
018.008 Wa-inna lajaAAiloona ma AAalayha saAAeedan juruzan
18:8 En voorzeker, (uiteindelijk) zullen Wij alles er op (op de aarde) met de grond gelijk maken (dag des oordeels). (Notitie: zie ook 55:26)

اَمۡ حَسِبۡتَ اَنَّ اَصۡحٰبَ الۡکَہۡفِ وَ الرَّقِیۡمِ ۙ کَانُوۡا مِنۡ اٰیٰتِنَا عَجَبًا ﴿۹﴾
018.009 Am hasibta anna as-haba alkahfi waalrraqeemi kanoo min ayatina AAajaban
18:9 Of denk jij dat (de gebeurtenis gerelateerd aan) de bewoners van de grot (Al-Kahf) en de Raqim, een wonder was van één van Onze Tekenen? (Notitie: Raqim is de tablet\inscriptie met informatie over de jongeren erop.)

اِذۡ اَوَی الۡفِتۡیَۃُ اِلَی الۡکَہۡفِ فَقَالُوۡا رَبَّنَاۤ اٰتِنَا مِنۡ لَّدُنۡکَ رَحۡمَۃً وَّ ہَیِّیٔۡ لَنَا مِنۡ اَمۡرِنَا رَشَدًا ﴿۱۰﴾
018.010 Ith awa alfityatu ila alkahfi faqaloo rabbana atina min ladunka rahmatan wahayyi/ lana min amrina rashadan
18:10 Toen de jongeren schuilden in de grot, zeiden ze: "Onze Heer! Schenk ons Uw Barmhartigheid en voorzie ons van rechtvaardigheid in onze zaak."

فَضَرَبۡنَا عَلٰۤی اٰذَانِہِمۡ فِی الۡکَہۡفِ سِنِیۡنَ عَدَدًا ﴿ۙ۱۱﴾
018.011 Fadarabna AAala athanihim fee alkahfi sineena AAadadan
18:11 Dus bedekten Wij hun oren voor een bepaald aantal jaren in de grot.

ثُمَّ بَعَثۡنٰہُمۡ لِنَعۡلَمَ اَیُّ الۡحِزۡبَیۡنِ اَحۡصٰی لِمَا لَبِثُوۡۤا اَمَدًا ﴿٪۱۲﴾
018.012 Thumma baAAathnahum linaAAlama ayyu alhizbayni ahsa lima labithoo amadan
18:12 Vervolgens wekten Wij hen op, zodat Wij het duidelijk maken welke van de twee partijen het beste de verbleven periode (in de grot) berekenden.

نَحۡنُ نَقُصُّ عَلَیۡکَ نَبَاَہُمۡ بِالۡحَقِّ ؕ اِنَّہُمۡ فِتۡیَۃٌ اٰمَنُوۡا بِرَبِّہِمۡ وَ زِدۡنٰہُمۡ ہُدًی ﴿٭ۖ۱۳﴾
018.013 Nahnu naqussu AAalayka nabaahum bialhaqqi innahum fityatun amanoo birabbihim wazidnahum hudan
18:13 Wij vertellen jou hun verhaal in waarheid. Voorzeker, zij waren jongeren die in hun Heer geloofden. En Wij deden hen toenemen in leiding.

وَّ رَبَطۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اِذۡ قَامُوۡا فَقَالُوۡا رَبُّنَا رَبُّ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ لَنۡ نَّدۡعُوَا۠ مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اِلٰـہًا لَّقَدۡ قُلۡنَاۤ اِذًا شَطَطًا ﴿۱۴﴾
018.014 Warabatna AAala quloobihim ith qamoo faqaloo rabbuna rabbu alssamawati waal-ardi lan nadAAuwa min doonihi ilahan laqad qulna ithan shatatan
18:14 En Wij maakten hun harten standvastig (in het gedenken en aanbidding van Allah), op het moment dat ze op stonden en zeiden: "Onze Heer, is de Heer van de hemelen en aarde! Nooit zullen we naast Hem een andere deïteit\god aanroepen. Voorzeker, anders zullen we een gigantische zonde uitspreken."

ہٰۤؤُلَآءِ قَوۡمُنَا اتَّخَذُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اٰلِہَۃً ؕ لَوۡ لَا یَاۡتُوۡنَ عَلَیۡہِمۡ بِسُلۡطٰنٍۭ بَیِّنٍ ؕ فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا ﴿ؕ۱۵﴾
018.015 Haola-i qawmuna ittakhathoo min doonihi alihatan lawla ya/toona AAalayhim bisultanin bayyinin faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban
18:15 "Onze volk heeft naast Hem goden (ter aanbidding) genomen. Waarom komen ze (de goden) dan niet met een duidelijk bewijs voor hen (het volk)? Is er een grotere misdadiger dan iemand die een leugen over Allah verzint?"

وَ اِذِ اعۡتَزَلۡتُمُوۡہُمۡ وَمَا یَعۡبُدُوۡنَ اِلَّا اللّٰہَ فَاۡ وٗۤا اِلَی الۡکَہۡفِ یَنۡشُرۡ لَکُمۡ رَبُّکُمۡ مِّنۡ رَّحۡمَتِہٖ وَیُہَیِّیٔۡ لَکُمۡ مِّنۡ اَمۡرِکُمۡ مِّرۡفَقًا ﴿۱۶﴾
018.016 Wa-ithi iAAtazaltumoohum wama yaAAbudoona illa Allaha fa/woo ila alkahfi yanshur lakum rabbukum min rahmatihi wayuhayyi/ lakum min amrikum mirfaqan
18:16 (Eén van hen zei:) "En als jullie terug (willen) trekken van hen en van wat ze naast Allah aanbidden, schuil dan in de grot. Jullie Heer zal aan jullie Zijn Barmhartigheid schenken en Hij zal jullie zaak vergemakkelijken."

وَ تَرَی الشَّمۡسَ اِذَا طَلَعَتۡ تَّزٰوَرُ عَنۡ کَہۡفِہِمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ اِذَا غَرَبَتۡ تَّقۡرِضُہُمۡ ذَاتَ الشِّمَالِ وَ ہُمۡ فِیۡ فَجۡوَۃٍ مِّنۡہُ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ ؕ مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَلَنۡ تَجِدَ لَہٗ وَلِیًّا مُّرۡشِدًا ﴿٪۱۷﴾
018.017 Watara alshshamsa itha talaAAat tazawaru AAan kahfihim thata alyameeni wa-itha gharabat taqriduhum thata alshshimali wahum fee fajwatin minhu thalika min ayati Allahi man yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahu waliyyan murshidan
18:17 En je kon zien dat de zon bij opkomst zich af bewoog van de rechterkant van de grot. En wanneer het onder ging, boog het van hen weg naar de linkerkant. Dit terwijl ze in de open ruimte erin lagen. Dat behoorde tot de tekenen van Allah. Wie Allah leidt, hij wordt geleid (naar het rechte pad) en wie Hij laat dwalen, dan nooit zul je voor hem een helper vinden die hem kan leiden.

وَ تَحۡسَبُہُمۡ اَیۡقَاظًا وَّ ہُمۡ رُقُوۡدٌ ٭ۖ وَّ نُقَلِّبُہُمۡ ذَاتَ الۡیَمِیۡنِ وَ ذَاتَ الشِّمَالِ ٭ۖ وَ کَلۡبُہُمۡ بَاسِطٌ ذِرَاعَیۡہِ بِالۡوَصِیۡدِ ؕ لَوِ اطَّلَعۡتَ عَلَیۡہِمۡ لَوَلَّیۡتَ مِنۡہُمۡ فِرَارًا وَّ لَمُلِئۡتَ مِنۡہُمۡ رُعۡبًا ﴿۱۸﴾
018.018 Watahsabuhum ayqathan wahum ruqoodun wanuqallibuhum thata alyameeni wathata alshshimali wakalbuhum basitun thiraAAayhi bialwaseedi lawi ittalaAAta AAalayhim lawallayta minhum firaran walamuli/ta minhum ruAAban
18:18 En je zou denken dat ze wakker waren terwijl ze aan het slapen waren. En Wij draaiden hen op hun rechterzijde en op hun linkerzijde en hun hond lag uitgestrekt met zijn voorpoten bij de ingang. Als je hen gezien zou hebben, dan zou je weg rennen van angst voor hen.

وَ کَذٰلِکَ بَعَثۡنٰہُمۡ لِیَتَسَآءَلُوۡا بَیۡنَہُمۡ ؕ قَالَ قَآئِلٌ مِّنۡہُمۡ کَمۡ لَبِثۡتُمۡ ؕ قَالُوۡا لَبِثۡنَا یَوۡمًا اَوۡ بَعۡضَ یَوۡمٍ ؕ قَالُوۡا رَبُّکُمۡ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثۡتُمۡ ؕ فَابۡعَثُوۡۤا اَحَدَکُمۡ بِوَرِقِکُمۡ ہٰذِہٖۤ اِلَی الۡمَدِیۡنَۃِ فَلۡیَنۡظُرۡ اَیُّہَاۤ اَزۡکٰی طَعَامًا فَلۡیَاۡتِکُمۡ بِرِزۡقٍ مِّنۡہُ وَ لۡـیَؔ‍‍‍تَلَطَّفۡ وَ لَا یُشۡعِرَنَّ بِکُمۡ اَحَدًا ﴿۱۹﴾
018.019 Wakathalika baAAathnahum liyatasaaloo baynahum qala qa-ilun minhum kam labithtum qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin qaloo rabbukum aAAlamu bima labithtum faibAAathoo ahadakum biwariqikum hathihi ila almadeenati falyanthur ayyuha azka taAAaman falya/tikum birizqin minhu walyatalattaf wala yushAAiranna bikum ahadan
18:19 En vanuit die toestand (van diepe slaap) deden Wij hen weder opstaan, zodat ze elkaar konden ondervragen. Eén van hen zei: "Hoe lang zijn jullie (hier) gebleven?" Ze zeiden: "We zijn (misschien) een dag of een gedeelte van een dag (hier) gebleven." (Uiteindelijk) zeiden ze: "Onze Heer weet alleen hoelang we hier gebleven zijn. Laat één van jullie met deze zilvere munt naar de stad gaan. En laat hem uitzoeken welke voedsel puur (goed en geoorloofd, hallal) is en laat hem daarvan iets meebrengen voor ons*. En laat hem voorzichtig zijn, laat niemand iets over ons te weten komen."

اِنَّہُمۡ اِنۡ یَّظۡہَرُوۡا عَلَیۡکُمۡ یَرۡجُمُوۡکُمۡ اَوۡ یُعِیۡدُوۡکُمۡ فِیۡ مِلَّتِہِمۡ وَ لَنۡ تُفۡلِحُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۲۰﴾
018.020 Innahum in yathharoo AAalaykum yarjumookum aw yuAAeedookum fee millatihim walan tuflihoo ithan abadan
18:20 Voorzeker, als ze over ons te weten komen, dan zullen ze ons stenigen, of ons bekeren tot hun godsdienst. We zullen dan nooit slagen.

وَ کَذٰلِکَ اَعۡثَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ لِیَعۡلَمُوۡۤا اَنَّ وَعۡدَ اللّٰہِ حَقٌّ وَّ اَنَّ السَّاعَۃَ لَا رَیۡبَ فِیۡہَا ۚ٭ اِذۡ یَتَنَازَعُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اَمۡرَہُمۡ فَقَالُوا ابۡنُوۡا عَلَیۡہِمۡ بُنۡیَانًا ؕ رَبُّہُمۡ اَعۡلَمُ بِہِمۡ ؕ قَالَ الَّذِیۡنَ غَلَبُوۡا عَلٰۤی اَمۡرِہِمۡ لَنَتَّخِذَنَّ عَلَیۡہِمۡ مَّسۡجِدًا ﴿۲۱﴾
018.021 Wakathalika aAAtharna AAalayhim liyaAAlamoo anna waAAda Allahi haqqun waanna alsaAAata la rayba feeha ith yatanazaAAoona baynahum amrahum faqaloo ibnoo AAalayhim bunyanan rabbuhum aAAlamu bihim qala allatheena ghalaboo AAala amrihim lanattakhithanna AAalayhim masjidan
18:21 En zo maakten Wij hun geval bekend, zodat ze (de mensen) weten dat de belofte van Allah waar is en dat er geen twijfel is over de dag des oordeel. En gedenk toen ze (de mensen van de stad) onderling over hun geval twistten. Ze zeiden: "Bouw een gebouw/monument over hen. Hun Heer weet het best over hen." Degenen die de overhand hadden, zeiden: "Wij zullen zeker over hen (hun graven) een aanbiddingsplaats/moskee maken."

سَیَقُوۡلُوۡنَ ثَلٰثَۃٌ رَّابِعُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ خَمۡسَۃٌ سَادِسُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ رَجۡمًۢا بِالۡغَیۡبِ ۚ وَ یَقُوۡلُوۡنَ سَبۡعَۃٌ وَّ ثَامِنُہُمۡ کَلۡبُہُمۡ ؕ قُلۡ رَّبِّیۡۤ اَعۡلَمُ بِعِدَّتِہِمۡ مَّا یَعۡلَمُہُمۡ اِلَّا قَلِیۡلٌ ۬۟ فَلَا تُمَارِ فِیۡہِمۡ اِلَّا مِرَآءً ظَاہِرًا ۪ وَّ لَا تَسۡتَفۡتِ فِیۡہِمۡ مِّنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿٪۲۲﴾
018.022 Sayaqooloona thalathatun rabiAAuhum kalbuhum wayaqooloona khamsatun sadisuhum kalbuhum rajman bialghaybi wayaqooloona sabAAatun wathaminuhum kalbuhum qul rabbee aAAlamu biAAiddatihim ma yaAAlamuhum illa qaleelun fala tumari feehim illa miraan thahiran wala tastafti feehim minhum ahadan
18:22 Ze zeggen: "(Het waren er) drie, hun vierde was hun hond." En anderen zeggen: "(Het waren er) vijf, hun zesde was hun hond." Ze gissen over het onbekende. En weer anderen zeggen: "(Het waren er) zeven, hun achtste was hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun aantal het beste. Alleen een enkeling kent hun (aantal). Dus discussieer er niet over, behalve als er een duidelijk argument gebruikt wordt. En win geen informatie over hen in bij iemand.

وَ لَا تَقُوۡلَنَّ لِشَایۡءٍ اِنِّیۡ فَاعِلٌ ذٰلِکَ غَدًا ﴿ۙ۲۳﴾
018.023 Wala taqoolanna lishay-in innee faAAilun thalika ghadan
18:23 En zeg niet over iets: "Voorzeker, ik zal dat morgen doen."

اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ ۫ وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ اِذَا نَسِیۡتَ وَ قُلۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّہۡدِیَنِ رَبِّیۡ لِاَقۡرَبَ مِنۡ ہٰذَا رَشَدًا ﴿۲۴﴾
018.024 Illa an yashaa Allahu waothkur rabbaka itha naseeta waqul AAasa an yahdiyani rabbee li-aqraba min hatha rashadan
18:24 Maar zeg (erbij): "In Sha Allah (Indien Allah het wilt)." En gedenk je Heer indien je het vergeet, en zeg: "Hopelijk zal mijn Heer me leiden naar het rechte pad. (zie ook 1:6)" (Notitie: In Sha Allah, wordt gebruikt om aan te duiden, dat alles wat in de toekomst gebeurt dat het met de kracht en wil van Allah gebeurt.)

وَ لَبِثُوۡا فِیۡ کَہۡفِہِمۡ ثَلٰثَ مِائَۃٍ سِنِیۡنَ وَ ازۡدَادُوۡا تِسۡعًا ﴿۲۵﴾
018.025 Walabithoo fee kahfihim thalatha mi-atin sineena waizdadoo tisAAan
18:25 En ze verbleven driehonderd jaar in hun grot, vermeerderd met negen.

قُلِ اللّٰہُ اَعۡلَمُ بِمَا لَبِثُوۡا ۚ لَہٗ غَیۡبُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ اَبۡصِرۡ بِہٖ وَ اَسۡمِعۡ ؕ مَا لَہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہٖ مِنۡ وَّلِیٍّ ۫ وَّ لَا یُشۡرِکُ فِیۡ حُکۡمِہٖۤ اَحَدًا ﴿۲۶﴾
018.026 Quli Allahu aAAlamu bima labithoo lahu ghaybu alssamawati waal-ardi absir bihi waasmiAA ma lahum min doonihi min waliyyin wala yushriku fee hukmihi ahadan
18:26 Zeg: "Allah weet het best hoelang ze er verbleven. Aan Hem behoort het ongeziene van de hemelen en de aarde. Wat is Hij scherp-ziend en wat is Hij scherp-horend! Ze hebben buiten hem geen beschermer en Hij deelt zijn oordeel met niemand."

وَ اتۡلُ مَاۤ اُوۡحِیَ اِلَیۡکَ مِنۡ کِتَابِ رَبِّکَ ۚؕ لَا مُبَدِّلَ لِکَلِمٰتِہٖ ۚ۟ وَ لَنۡ تَجِدَ مِنۡ دُوۡنِہٖ مُلۡتَحَدًا ﴿۲۷﴾
018.027 Waotlu ma oohiya ilayka min kitabi rabbika la mubaddila likalimatihi walan tajida min doonihi multahadan
18:27 En reciteer wat aan jou geopenbaard is van het boek van jouw Heer. Niemand kan Zijn woorden veranderen. En nooit zul je een (andere) toevlucht vinden behalve Hem. (Notitie: zie ook 9:118.)

وَ اصۡبِرۡ نَفۡسَکَ مَعَ الَّذِیۡنَ یَدۡعُوۡنَ رَبَّہُمۡ بِالۡغَدٰوۃِ وَ الۡعَشِیِّ یُرِیۡدُوۡنَ وَجۡہَہٗ وَ لَا تَعۡدُ عَیۡنٰکَ عَنۡہُمۡ ۚ تُرِیۡدُ زِیۡنَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ لَا تُطِعۡ مَنۡ اَغۡفَلۡنَا قَلۡبَہٗ عَنۡ ذِکۡرِنَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ وَ کَانَ اَمۡرُہٗ فُرُطًا ﴿۲۸﴾
018.028 Waisbir nafsaka maAAa allatheena yadAAoona rabbahum bialghadati waalAAashiyyi yureedoona wajhahu wala taAAdu AAaynaka AAanhum tureedu zeenata alhayati alddunya wala tutiAA man aghfalna qalbahu AAan thikrina waittabaAAa hawahu wakana amruhu furutan
18:28 En wees zelf geduldig met degenen die hun Heer in de morgen en de avond aanroepen, wensend naar Zijn aangezicht. En wendt jouw ogen niet af van hen, verlangend naar de versieringen van het wereldse leven. En gehoorzaam niet degenen waarvan Wij de harten onachtzaam hebben gemaakt voor het gedenken van Ons en die zijn verlangens volgt. Zijn zaak vruchteloos.

وَ قُلِ الۡحَقُّ مِنۡ رَّبِّکُمۡ ۟ فَمَنۡ شَآءَ فَلۡیُؤۡمِنۡ وَّ مَنۡ شَآءَ فَلۡیَکۡفُرۡ ۙ اِنَّاۤ اَعۡتَدۡنَا لِلظّٰلِمِیۡنَ نَارًا ۙ اَحَاطَ بِہِمۡ سُرَادِقُہَا ؕ وَ اِنۡ یَّسۡتَغِیۡثُوۡا یُغَاثُوۡا بِمَآءٍ کَالۡمُہۡلِ یَشۡوِی الۡوُجُوۡہَ ؕ بِئۡسَ الشَّرَابُ ؕ وَ سَآءَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿۲۹﴾
018.029 Waquli alhaqqu min rabbikum faman shaa falyu/min waman shaa falyakfur inna aAAtadna lilththalimeena naran ahata bihim suradiquha wa-in yastagheethoo yughathoo bima-in kaalmuhli yashwee alwujooha bi/sa alshsharabu wasaat murtafaqan
18:29 En zeg: "De waarheid is van jullie Heer, dus wie wilt geloven laat hem geloven en wie niet wilt geloven laat hem ongelovig blijven." Voorzeker, Wij hebben voor de onrechtplegers het vuur voorbereid, dat hen insluit door zijn muren. En als ze om steun vragen, dan zullen ze een vloeistof net als gesmolten koper krijgen dat gezichten schroeit. Zeer slecht is de drank en wat verschrikkelijk is de rustplaats!

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ اِنَّا لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ مَنۡ اَحۡسَنَ عَمَلًا ﴿ۚ۳۰﴾
018.030 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati inna la nudeeAAu ajra man ahsana AAamalan
18:30 Wat betreft degenen die geloven en goede daden doen, waarlijk weet dat Wij de beloning van iemand die goede daden verricht niet laten vergaan.

اُولٰٓئِکَ لَہُمۡ جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ یُحَلَّوۡنَ فِیۡہَا مِنۡ اَسَاوِرَ مِنۡ ذَہَبٍ وَّ یَلۡبَسُوۡنَ ثِیَابًا خُضۡرًا مِّنۡ سُنۡدُسٍ وَّ اِسۡتَبۡرَقٍ مُّتَّکِئِیۡنَ فِیۡہَا عَلَی الۡاَرَآئِکِ ؕ نِعۡمَ الثَّوَابُ ؕ وَ حَسُنَتۡ مُرۡتَفَقًا ﴿٪۳۱﴾
018.031 Ola-ika lahum jannatu AAadnin tajree min tahtihimu al-anharu yuhallawna feeha min asawira min thahabin wayalbasoona thiyaban khudran min sundusin wa-istabraqin muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki niAAma alththawabu wahasunat murtafaqan
18:31 Voor hun zijn de tuinen van Adn (Eden, het Paradijs) bestemd, waaronder de rivieren stromen. Ze zullen daar met gouden armbanden versierd worden en groene gewaden van fijne zijde en zware brokaat dragen. Achter over leunend op versierde banken. Voortreffelijk is de beloning en wat een mooie rustplaats!

وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلًا رَّجُلَیۡنِ جَعَلۡنَا لِاَحَدِہِمَا جَنَّتَیۡنِ مِنۡ اَعۡنَابٍ وَّ حَفَفۡنٰہُمَا بِنَخۡلٍ وَّ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمَا زَرۡعًا ﴿ؕ۳۲﴾
018.032 Waidrib lahum mathalan rajulayni jaAAalna li-ahadihima jannatayni min aAAnabin wahafafnahuma binakhlin wajaAAalna baynahuma zarAAan
18:32 En geef hen het voorbeeld van twee mannen. Wij gaven aan één van hen twee tuinen met daarin druivenstruiken. Wij omheinden ze met dadelpalmen en plaatsten (velden met) gewassen tussen beide in.

کِلۡتَا الۡجَنَّتَیۡنِ اٰتَتۡ اُکُلَہَا وَ لَمۡ تَظۡلِمۡ مِّنۡہُ شَیۡئًا ۙ وَّ فَجَّرۡنَا خِلٰلَہُمَا نَہَرًا ﴿ۙ۳۳﴾
018.033 Kilta aljannatayni atat okulaha walam tathlim minhu shay-an wafajjarna khilalahuma naharan
18:33 Elk van de twee tuinen bracht zijn oogst op en faalde op geen enkele manier in iets. Wij deden in beide een rivier ontspringen.

وَّ کَانَ لَہٗ ثَمَرٌ ۚ فَقَالَ لِصَاحِبِہٖ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَنَا اَکۡثَرُ مِنۡکَ مَالًا وَّ اَعَزُّ نَفَرًا ﴿۳۴﴾
018.034 Wakana lahu thamarun faqala lisahibihi wahuwa yuhawiruhu ana aktharu minka malan waaAAazzu nafaran
18:34 Er waren vruchten (in overvloed) voor hem. Dus zei hij tot zijn kameraad tijdens een gesprek met hem: "Ik rijker dan jou en ik ben een man van meer eer dan jij."

وَ دَخَلَ جَنَّتَہٗ وَ ہُوَ ظَالِمٌ لِّنَفۡسِہٖ ۚ قَالَ مَاۤ اَظُنُّ اَنۡ تَبِیۡدَ ہٰذِہٖۤ اَبَدًا ﴿ۙ۳۵﴾
018.035 Wadakhala jannatahu wahuwa thalimun linafsihi qala ma athunnu an tabeeda hathihi abadan
18:35 En hij betrad zijn tuin, terwijl hij zichzelf onrecht aan deed (door zijn hoogmoed). Hij zei: "Ik denk niet dat dit ooit zal vergaan."

وَّ مَاۤ اَظُنُّ السَّاعَۃَ قَآئِمَۃً ۙ وَّ لَئِنۡ رُّدِدۡتُّ اِلٰی رَبِّیۡ لَاَجِدَنَّ خَیۡرًا مِّنۡہَا مُنۡقَلَبًا ﴿۳۶﴾
018.036 Wama athunnu alssaAAata qa-imatan wala-in rudidtu ila rabbee laajidanna khayran minha munqalaban
18:36 "En ik denk niet dat de dag des oordeel zal plaats vinden. En als ik toch tot mijn Heer wordt terug gebracht, dan zal ik zeker iets beter vinden dan dit."

قَالَ لَہٗ صَاحِبُہٗ وَ ہُوَ یُحَاوِرُہٗۤ اَکَفَرۡتَ بِالَّذِیۡ خَلَقَکَ مِنۡ تُرَابٍ ثُمَّ مِنۡ نُّطۡفَۃٍ ثُمَّ سَوّٰىکَ رَجُلًا ﴿ؕ۳۷﴾
018.037 Qala lahu sahibuhu wahuwa yuhawiruhu akafarta biallathee khalaqaka min turabin thumma min nutfatin thumma sawwaka rajulan
18:37 Zijn kameraad zei tijdens een gesprek met hem: "Geloof je niet in Degene Die jou vanuit stof schiep tot een druppel sperma, en vervolgens jou tot een man vormde?"

لٰکِنَّا۠ ہُوَ اللّٰہُ رَبِّیۡ وَ لَاۤ اُشۡرِکُ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۳۸﴾
018.038 Lakinna huwa Allahu rabbee wala oshriku birabbee ahadan
18:38 "Maar wat mij betreft, Allah is mijn Heer en ik ken niemand toe aan mijn Heer (voor het aanbidden van Hem)."

وَ لَوۡ لَاۤ اِذۡ دَخَلۡتَ جَنَّتَکَ قُلۡتَ مَا شَآءَ اللّٰہُ ۙ لَا قُوَّۃَ اِلَّا بِاللّٰہِ ۚ اِنۡ تَرَنِ اَنَا اَقَلَّ مِنۡکَ مَالًا وَّ وَلَدًا ﴿ۚ۳۹﴾
018.039 Walawla ith dakhalta jannataka qulta ma shaa Allahu la quwwata illa biAllahi in tarani ana aqalla minka malan wawaladan
18:39 "En toen jij jouw tuin betrad, waarom heb je niet gezegd: " 'Ma Sha Allah, La Qoew Wata Illa Billah' (Wat Allah wilt dat zal gebeuren, er is geen kracht dan de kracht van Allah). Als jij me ziet als minder dan jou op het gebied van bezit en kinderen,

فَعَسٰی رَبِّیۡۤ اَنۡ یُّؤۡتِیَنِ خَیۡرًا مِّنۡ جَنَّتِکَ وَ یُرۡسِلَ عَلَیۡہَا حُسۡبَانًا مِّنَ السَّمَآءِ فَتُصۡبِحَ صَعِیۡدًا زَلَقًا ﴿ۙ۴۰﴾
018.040 FaAAasa rabbee an yu/tiyani khayran min jannatika wayursila AAalayha husbanan mina alssama-i fatusbiha saAAeedan zalaqan
18:40 het kan zijn dat mijn Heer me iets beter zal geven dan jouw tuin. En misschien stuurt Hij een storm met zware regenbui vanuit de hemel erop, zodat het slipperige grond wordt.

اَوۡ یُصۡبِحَ مَآؤُہَا غَوۡرًا فَلَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ لَہٗ طَلَبًا ﴿۴۱﴾
018.041 Aw yusbiha maoha ghawran falan tastateeAAa lahu talaban
18:41 Of dat haar water diep in de aarde wegvloeit, zodat je het (water) nooit meer kan vinden." (Notitie: Ma Sha Allah, wordt gezegd om dankbaarheid te tonen aan Allah voor iets moois gerelateerd aan een object, persoon of een gebeurtenis. Tevens vraag je, door Ma Sha Allah te zeggen, Allah om datgeen te beschermen.)

وَ اُحِیۡطَ بِثَمَرِہٖ فَاَصۡبَحَ یُقَلِّبُ کَفَّیۡہِ عَلٰی مَاۤ اَنۡفَقَ فِیۡہَا وَ ہِیَ خَاوِیَۃٌ عَلٰی عُرُوۡشِہَا وَ یَقُوۡلُ یٰلَیۡتَنِیۡ لَمۡ اُشۡرِکۡ بِرَبِّیۡۤ اَحَدًا ﴿۴۲﴾
018.042 Waoheeta bithamarihi faasbaha yuqallibu kaffayhi AAala ma anfaqa feeha wahiya khawiyatun AAala AAurooshiha wayaqoolu ya laytanee lam oshrik birabbee ahadan
18:42 En zijn vruchten waren omringd (door vernietiging). Dus begon hij (te piekeren en) in zijn handen te wrijven over wat hij eraan had uitgegeven, omdat ze (de tuinen) nu tot de bodem toe geruïneerd waren. En hij zei: "O! Had ik maar geen deelgenoot aan mijn Heer toegekend." (Notitie: zie ook 22:45)

وَ لَمۡ تَکُنۡ لَّہٗ فِئَۃٌ یَّنۡصُرُوۡنَہٗ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ مَا کَانَ مُنۡتَصِرًا ﴿ؕ۴۳﴾
018.043 Walam takun lahu fi-atun yansuroonahu min dooni Allahi wama kana muntasiran
18:43 En er was geen groep (mensen) om hem te helpen, behalve Allah zelf. Noch kon hij zichzelf helpen.

ہُنَالِکَ الۡوَلَایَۃُ لِلّٰہِ الۡحَقِّ ؕ ہُوَ خَیۡرٌ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ عُقۡبًا ﴿٪۴۴﴾
018.044 Hunalika alwalayatu lillahi alhaqqi huwa khayrun thawaban wakhayrun AAuqban
18:44 Daar (op de dag des oordeel) zal de absolute autoriteit (alleen) van Allah zijn, de Ware deïteit/godeljkheid. Hij is het beste (doel) om te zoeken naar een beloning en de beste eindbestemming. (Notitie: zie ook 1:4, 40:16)

وَ اضۡرِبۡ لَہُمۡ مَّثَلَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا کَمَآءٍ اَنۡزَلۡنٰہُ مِنَ السَّمَآءِ فَاخۡتَلَطَ بِہٖ نَبَاتُ الۡاَرۡضِ فَاَصۡبَحَ ہَشِیۡمًا تَذۡرُوۡہُ الرِّیٰحُ ؕ وَ کَانَ اللّٰہُ عَلٰی کُلِّ شَیۡءٍ مُّقۡتَدِرًا ﴿۴۵﴾
018.045 Waidrib lahum mathala alhayati alddunya kama-in anzalnahu mina alssama-i faikhtalata bihi nabatu al-ardi faasbaha hasheeman tathroohu alrriyahu wakana Allahu AAala kulli shay-in muqtadiran
18:45 En geef hen de vergelijking van het wereldse leven. Het is als water dat Wij uit de hemel neerdalen. Vervolgens, vermengt de plantengroei van de aarde zich ermee. Welke daarna tot droge stoppels wordt en de wind het verspreidt. En Allah is in staat om alles te doen. (Notitie zie ook: 10:24)

اَلۡمَالُ وَ الۡبَنُوۡنَ زِیۡنَۃُ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۚ وَ الۡبٰقِیٰتُ الصّٰلِحٰتُ خَیۡرٌ عِنۡدَ رَبِّکَ ثَوَابًا وَّ خَیۡرٌ اَمَلًا ﴿۴۶﴾
018.046 Almalu waalbanoona zeenatu alhayati alddunya waalbaqiyatu alssalihatu khayrun AAinda rabbika thawaban wakhayrun amalan
18:46 Rijkdom en kinderen zijn (alleen) versieringen van het wereldse leven. Echter, de blijvende goede daden zijn beter voor beloning en hoop bij jouw Heer. (Notitie: "baqiyat as salaat", hier vertaald als goede daden, wordt ook gerefereerd naar het verheerlijken van Allah door middel van het zeggen van SoebhaanAllah, Alhumdullilah, Allahuakbar.)

وَ یَوۡمَ نُسَیِّرُ الۡجِبَالَ وَ تَرَی الۡاَرۡضَ بَارِزَۃً ۙ وَّ حَشَرۡنٰہُمۡ فَلَمۡ نُغَادِرۡ مِنۡہُمۡ اَحَدًا ﴿ۚ۴۷﴾
018.047 Wayawma nusayyiru aljibala watara al-arda barizatan wahasharnahum falam nughadir minhum ahadan
18:47 En op de dag (dag des oordeel) zullen Wij de bergen verschuiven en je zult de aarde als een geëgaliseerde vlakte zien. Wij zullen hen allen verzamelen en Wij zullen niet één van hen achterlaten.

وَ عُرِضُوۡا عَلٰی رَبِّکَ صَفًّا ؕ لَقَدۡ جِئۡتُمُوۡنَا کَمَا خَلَقۡنٰکُمۡ اَوَّلَ مَرَّۃٍۭ ۫ بَلۡ زَعَمۡتُمۡ اَلَّنۡ نَّجۡعَلَ لَکُمۡ مَّوۡعِدًا ﴿۴۸﴾
018.048 WaAAuridoo AAala rabbika saffan laqad ji/tumoona kama khalaqnakum awwala marratin bal zaAAamtum allan najAAala lakum mawAAidan
18:48 En ze zullen voor uw Heer in rijen worden opgesteld. (En er zal gezegd worden): "Voorzeker, jullie zijn tot Ons gekomen zoals Wij jullie de eerste keer schiepen. Nee! Jullie beweerde dat Wij met jullie geen afspraak hadden gemaakt."

وَ وُضِعَ الۡکِتٰبُ فَتَرَی الۡمُجۡرِمِیۡنَ مُشۡفِقِیۡنَ مِمَّا فِیۡہِ وَ یَقُوۡلُوۡنَ یٰوَیۡلَتَنَا مَالِ ہٰذَا الۡکِتٰبِ لَا یُغَادِرُ صَغِیۡرَۃً وَّ لَا کَبِیۡرَۃً اِلَّاۤ اَحۡصٰہَا ۚ وَ وَجَدُوۡا مَا عَمِلُوۡا حَاضِرًا ؕ وَ لَا یَظۡلِمُ رَبُّکَ اَحَدًا ﴿٪۴۹﴾
018.049 WawudiAAa alkitabu fatara almujrimeena mushfiqeena mimma feehi wayaqooloona ya waylatana ma lihatha alkitabi la yughadiru sagheeratan wala kabeeratan illa ahsaha wawajadoo ma AAamiloo hadiran wala yathlimu rabbuka ahadan
18:49 En het boek (met hun daden) zal geplaatst worden. Je zult de misdadigers in angst zien verkeren voor wat er in staat. Ze zullen zeggen: "O, wee ons! Wat is dit voor een boek! Het laat niets kleins of groots weg, het heeft alles opgesomd?!" Ze zullen alles wat ze deden gepresenteerd krijgen. En jouw Heer behandelt niemand onrechtvaardig.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ کَانَ مِنَ الۡجِنِّ فَفَسَقَ عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہٖ ؕ اَفَتَتَّخِذُوۡنَہٗ وَ ذُرِّیَّتَہٗۤ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِیۡ وَ ہُمۡ لَکُمۡ عَدُوٌّ ؕ بِئۡسَ لِلظّٰلِمِیۡنَ بَدَلًا ﴿۵۰﴾
018.050 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa kana mina aljinni fafasaqa AAan amri rabbihi afatattakhithoonahu wathurriyyatahu awliyaa min doonee wahum lakum AAaduwwun bi/sa lilththalimeena badalan
18:50 En (gedenk) toen Wij tot de Engelen zeiden: "Prostreer voor Adam." Dus prostreerden ze, behalve Iblies. Hij is van Djien en kwam in opstand tegen het gebod van zijn Heer. Zullen jullie hem en zijn nakomelingen als Awliya (beschermer, helper, etc.) nemen in plaats van Mij, terwijl ze voor jullie vijanden zijn? Zeer ellendig is de verruiling die de onrechtvaardigen doen!

مَاۤ اَشۡہَدۡتُّہُمۡ خَلۡقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لَا خَلۡقَ اَنۡفُسِہِمۡ ۪ وَ مَا کُنۡتُ مُتَّخِذَ الۡمُضِلِّیۡنَ عَضُدًا ﴿۵۱﴾
018.051 Ma ashhadtuhum khalqa alssamawati waal-ardi wala khalqa anfusihim wama kuntu muttakhitha almudilleena AAadudan
18:51 Ik maakte hen (alle schepselen) niet tot getuige van de schepping van hemelen en aarde, noch van hun eigen schepping en noch ben ik Degene Die de mislijders als helpers neem.

وَ یَوۡمَ یَقُوۡلُ نَادُوۡا شُرَکَآءِیَ الَّذِیۡنَ زَعَمۡتُمۡ فَدَعَوۡہُمۡ فَلَمۡ یَسۡتَجِیۡبُوۡا لَہُمۡ وَ جَعَلۡنَا بَیۡنَہُمۡ مَّوۡبِقًا ﴿۵۲﴾
018.052 Wayawma yaqoolu nadoo shuraka-iya allatheena zaAAamtum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum wajaAAalna baynahum mawbiqan
18:52 En op de dag (des oordeel) zal Hij zeggen: "Roep Mijn deelgenoten, degenen waarop jullie aanspraak deden!" Ze zullen hen aanroepen, maar ze zullen hen niet antwoorden. Wij zullen dan een barrière tussen hen maken.

وَ رَاَ الۡمُجۡرِمُوۡنَ النَّارَ فَظَنُّوۡۤا اَنَّہُمۡ مُّوَاقِعُوۡہَا وَ لَمۡ یَجِدُوۡا عَنۡہَا مَصۡرِفًا ﴿٪۵۳﴾
018.053 Waraa almujrimoona alnnara fathannoo annahum muwaqiAAooha walam yajidoo AAanha masrifan
18:53 De misdadigers zullen het vuur zien. En ze zullen beseffen dat ze erin moeten vallen. Ze zullen (namelijk) geen manier vinden om eraan te kunnen ontsnappen.

وَ لَقَدۡ صَرَّفۡنَا فِیۡ ہٰذَا الۡقُرۡاٰنِ لِلنَّاسِ مِنۡ کُلِّ مَثَلٍ ؕ وَ کَانَ الۡاِنۡسَانُ اَکۡثَرَ شَیۡءٍ جَدَلًا ﴿۵۴﴾
018.054 Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani lilnnasi min kulli mathalin wakana al-insanu akthara shay-in jadalan
18:54 En Voorzeker, Wij hebben in deze Koran allerlei voorbeelden voor de mensen uitgelegd. Echter de mens is over de meeste dingen twistziek.

وَ مَا مَنَعَ النَّاسَ اَنۡ یُّؤۡمِنُوۡۤا اِذۡ جَآءَہُمُ الۡہُدٰی وَ یَسۡتَغۡفِرُوۡا رَبَّہُمۡ اِلَّاۤ اَنۡ تَاۡتِیَہُمۡ سُنَّۃُ الۡاَوَّلِیۡنَ اَوۡ یَاۡتِیَہُمُ الۡعَذَابُ قُبُلًا ﴿۵۵﴾
018.055 Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhuda wayastaghfiroo rabbahum illa an ta/tiyahum sunnatu al-awwaleena aw ya/tiyahumu alAAathabu qubulan
18:55 En niets weerhield de mensen om te geloven en om vergiffenis aan hun Heer te vragen toen de leiding tot hen kwam. (Echter de mensen geloven niet,) behalve als de handelwijze komt die de vroegere generaties trof of dat de straf zichtbaar voor hen komt.

وَ مَا نُرۡسِلُ الۡمُرۡسَلِیۡنَ اِلَّا مُبَشِّرِیۡنَ وَ مُنۡذِرِیۡنَ ۚ وَ یُجَادِلُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِالۡبَاطِلِ لِیُدۡحِضُوۡا بِہِ الۡحَقَّ وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ مَاۤ اُنۡذِرُوۡا ہُزُوًا ﴿۵۶﴾
018.056 Wama nursilu almursaleena illa mubashshireena wamunthireena wayujadilu allatheena kafaroo bialbatili liyudhidoo bihi alhaqqa waittakhathoo ayatee wama onthiroo huzuwan
18:56 En Wij zenden de boodschappers slechts als verkondigers van goede tijdingen en als waarschuwers. En de ongelovigen disputeren met leugens om daarmee de waarheid te bestrijden. En ze bespotten Mijn Tekenen en datgeen waarvoor ze werden gewaarschuwd.

وَ مَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنۡ ذُکِّرَ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ فَاَعۡرَضَ عَنۡہَا وَ نَسِیَ مَا قَدَّمَتۡ یَدٰہُ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ اَکِنَّۃً اَنۡ یَّفۡقَہُوۡہُ وَ فِیۡۤ اٰذَانِہِمۡ وَقۡرًا ؕ وَ اِنۡ تَدۡعُہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی فَلَنۡ یَّہۡتَدُوۡۤا اِذًا اَبَدًا ﴿۵۷﴾
018.057 Waman athlamu mimman thukkira bi-ayati rabbihi faaAArada AAanha wanasiya ma qaddamat yadahu inna jaAAalna AAala quloobihim akinnatan an yafqahoohu wafee athanihim waqran wa-in tadAAuhum ila alhuda falan yahtadoo ithan abadan
18:57 En wie is er meer onrechtvaardig dan degene die herinnerd wordt aan de tekenen van zijn Heer, maar die zich daarvan afwendt? En hij vergeet (dat er gevolgen zijn voor datgeen) wat zijn handen doen. Voorzeker, Wij hebben over hun harten een bedekking aangebracht, zodat ze het niet begrijpen, en in hun oren doofheid. En als jij hen tot leiding roept, dan zullen ze (toch) nooit in de goede richting worden geleid.

وَ رَبُّکَ الۡغَفُوۡرُ ذُو الرَّحۡمَۃِ ؕ لَوۡ یُؤَاخِذُہُمۡ بِمَا کَسَبُوۡا لَعَجَّلَ لَہُمُ الۡعَذَابَ ؕ بَلۡ لَّہُمۡ مَّوۡعِدٌ لَّنۡ یَّجِدُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖ مَوۡئِلًا ﴿۵۸﴾
018.058 Warabbuka alghafooru thoo alrrahmati law yu-akhithuhum bima kasaboo laAAajjala lahumu alAAathaba bal lahum mawAAidun lan yajidoo min doonihi maw-ilan
18:58 En jouw Heer is Al-Gafoer (de meest Vergevensgezinde), de bezitter van de Barmhartigheid. Als Hij hen zou grijpen voor wat ze hebben verdient, dan zou Hij zeker de bestraffing voor hen hebben versneld. Echter, voor hen is er een afspraak (de dag des oordeel). Nooit zullen ze daaraan kunnen ontsnappen.

وَ تِلۡکَ الۡقُرٰۤی اَہۡلَکۡنٰہُمۡ لَمَّا ظَلَمُوۡا وَ جَعَلۡنَا لِمَہۡلِکِہِمۡ مَّوۡعِدًا ﴿٪۵۹﴾
018.059 Watilka alqura ahlaknahum lamma thalamoo wajaAAalna limahlikihim mawAAidan
18:59 En dat zijn de steden die Wij vernietigden toen ze onrecht pleegden. Wij hadden een tijdstip bepaald voor hun vernietiging.

وَ اِذۡ قَالَ مُوۡسٰی لِفَتٰىہُ لَاۤ اَبۡرَحُ حَتّٰۤی اَبۡلُغَ مَجۡمَعَ الۡبَحۡرَیۡنِ اَوۡ اَمۡضِیَ حُقُبًا ﴿۶۰﴾
018.060 Wa-ith qala moosa lifatahu la abrahu hatta ablugha majmaAAa albahrayni aw amdiya huquban
18:60 En (gedenk) toen Moesa (Mozes) tot zijn knecht zei: "Ik zal niet stoppen voordat ik de samenvloeiing van de twee zeeën bereik, anders zal ik voor een lange tijd doorgaan." (Notitie: de volgende verzen gaan over Moesa die opzoek was naar kennis. Moesa was van mening dat hij de meeste kennis had, omdat hij een profeet was. Echter Allah vertelde hem dat er nog een dienaar was die nog meer kennis had. Mozes vroeg aan Allah om hem naar deze persoon te leiden zodat hij van hem kon leren. Vervolgens gaf Allah instructies dat hij deze persoon kan vinden bij de samenvloeiing van de twee zeeën. Een teken van de plek waar hij deze persoon zal vinden is, is de plek waar hun vis, die ze als voedsel meenemen, weer levend wordt. Volgens de overleveringen heet de persoon waar ze opzoek naar zijn, Al-Khidr.)

فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَیۡنِہِمَا نَسِیَا حُوۡتَہُمَا فَاتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ سَرَبًا ﴿۶۱﴾
018.061 Falamma balagha majmaAAa baynihima nasiya hootahuma faittakhatha sabeelahu fee albahri saraban
18:61 Op het moment dat ze de samenvloeiing van beide (zeeën) bereikten, vergaten ze hun vis, die weg glipte en zijn weg naar de zee vond.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتٰىہُ اٰتِنَا غَدَآءَنَا ۫ لَقَدۡ لَقِیۡنَا مِنۡ سَفَرِنَا ہٰذَا نَصَبًا ﴿۶۲﴾
018.062 Falamma jawaza qala lifatahu atina ghadaana laqad laqeena min safarina hatha nasaban
18:62 Toen ze verder gingen en de samenvloeiingen gepasseerd waren, zei hij (Moesa) tegen zijn knecht: "Breng onze middagmaaltijd. Voorzeker, wij zijn door deze reis moe geworden."

قَالَ اَرَءَیۡتَ اِذۡ اَوَیۡنَاۤ اِلَی الصَّخۡرَۃِ فَاِنِّیۡ نَسِیۡتُ الۡحُوۡتَ ۫ وَ مَاۤ اَنۡسٰنِیۡہُ اِلَّا الشَّیۡطٰنُ اَنۡ اَذۡکُرَہٗ ۚ وَ اتَّخَذَ سَبِیۡلَہٗ فِی الۡبَحۡرِ ٭ۖ عَجَبًا ﴿۶۳﴾
018.063 Qala araayta ith awayna ila alssakhrati fa-innee naseetu alhoota wama ansaneehu illa alshshaytanu an athkurahu waittakhatha sabeelahu fee albahri AAajaban
18:63 Hij (de knecht) zei: "Herinner u nog dat wij op de rots uitrustten?" Toen vergat ik u over de vis te vertellen. Niemand anders dan de satan heeft het me doen vergeten om het te vertellen. Hij vond zijn weg naar de zee op een verbazingwekkende manier."

قَالَ ذٰلِکَ مَا کُنَّا نَبۡغِ ٭ۖ فَارۡتَدَّا عَلٰۤی اٰثَارِہِمَا قَصَصًا ﴿ۙ۶۴﴾
018.064 Qala thalika ma kunna nabghi fairtadda AAala atharihima qasasan
18:64 Hij (Moesa) zei: "Dat was wat we zochten!" Dus keerden ze terug, door hun voetsporen te volgen.

فَوَجَدَا عَبۡدًا مِّنۡ عِبَادِنَاۤ اٰتَیۡنٰہُ رَحۡمَۃً مِّنۡ عِنۡدِنَا وَ عَلَّمۡنٰہُ مِنۡ لَّدُنَّا عِلۡمًا ﴿۶۵﴾
018.065 Fawajada AAabdan min AAibadina ataynahu rahmatan min AAindina waAAallamnahu min ladunna AAilman
18:65 Vervolgens vonden ze toen één van Onze dienaren die Wij Onze barmhartigheid hadden gegeven. En Wij hadden hem een bepaalde kennis onderwezen.

قَالَ لَہٗ مُوۡسٰی ہَلۡ اَتَّبِعُکَ عَلٰۤی اَنۡ تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدًا ﴿۶۶﴾
018.066 Qala lahu moosa hal attabiAAuka AAala an tuAAallimani mimma AAullimta rushdan
18:66 Moesa zei tegen hem: "Mag ik u volgen, zodat u me onderwijst wat aan u van het goede is onderwezen?"

قَالَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۶۷﴾
018.067 Qala innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran
18:67 Hij zei: "Voorzeker, u zult nooit in staat zijn geduld met me te hebben."

وَ کَیۡفَ تَصۡبِرُ عَلٰی مَا لَمۡ تُحِطۡ بِہٖ خُبۡرًا ﴿۶۸﴾
018.068 Wakayfa tasbiru AAala ma lam tuhit bihi khubran
18:68 "En hoe kunt u geduld hebben met iets waar u geen enkel kennis van heeft."

قَالَ سَتَجِدُنِیۡۤ اِنۡ شَآءَ اللّٰہُ صَابِرًا وَّ لَاۤ اَعۡصِیۡ لَکَ اَمۡرًا ﴿۶۹﴾
018.069 Qala satajidunee in shaa Allahu sabiran wala aAAsee laka amran
18:69 Hij (Moesa) zei: "U zult vinden dat ik, indien Allah het wilt, geduldig ben en ik zal uw bevelen gehoorzamen."

قَالَ فَاِنِ اتَّبَعۡتَنِیۡ فَلَا تَسۡـَٔلۡنِیۡ عَنۡ شَیۡءٍ حَتّٰۤی اُحۡدِثَ لَکَ مِنۡہُ ذِکۡرًا ﴿٪۷۰﴾
018.070 Qala fa-ini ittabaAAtanee fala tas-alnee AAan shay-in hatta ohditha laka minhu thikran
18:70 Hij zei: "Als u dan toch wenst om mij te volgen, stel me dan geen vragen over iets, zolang ik zelf niet met u erover praat."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا رَکِبَا فِی السَّفِیۡنَۃِ خَرَقَہَا ؕ قَالَ اَخَرَقۡتَہَا لِتُغۡرِقَ اَہۡلَہَا ۚ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا اِمۡرًا ﴿۷۱﴾
018.071 Faintalaqa hatta itha rakiba fee alssafeenati kharaqaha qala akharaqtaha litughriqa ahlaha laqad ji/ta shay-an imran
18:71 Zo gingen ze allebei op pad. Vervolgens kwamen ze aan boord van een schip waar hij een gat in maakte. Hij (Moesa) zei: "Heeft u een gat er in gemaakt, om de mensen erop te laten zinken? Voorzeker, u heeft iets vreselijks gedaan!"

قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۷۲﴾
018.072 Qala alam aqul innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran
18:72 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd dat u nooit in staat zal zijn om geduld met me te hebben?!"

قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِیۡ بِمَا نَسِیۡتُ وَ لَا تُرۡہِقۡنِیۡ مِنۡ اَمۡرِیۡ عُسۡرًا ﴿۷۳﴾
018.073 Qala la tu-akhithnee bima naseetu wala turhiqnee min amree AAusran
18:73 Hij (Moesa) zei: "Neem me niet kwalijk dat ik het vergat en maak het me niet moeilijk in mijn verbond met u."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَا لَقِیَا غُلٰمًا فَقَتَلَہٗ ۙ قَالَ اَقَتَلۡتَ نَفۡسًا زَکِیَّۃًۢ بِغَیۡرِ نَفۡسٍ ؕ لَقَدۡ جِئۡتَ شَیۡئًا نُّکۡرًا ﴿۷۴﴾
018.074 Faintalaqa hatta itha laqiya ghulaman faqatalahu qala aqatalta nafsan zakiyyatan bighayri nafsin laqad ji/ta shay-an nukran
18:74 Vervolgens gingen ze verder, totdat ze een jongen ontmoetten die hij dood maakte. Hij (Moesa) zei: "Doodde u een onschuldige persoon terwijl hij niemand doodde? Voorzeker, u heeft iets vreselijks gedaan!"

قَالَ اَلَمۡ اَقُلۡ لَّکَ اِنَّکَ لَنۡ تَسۡتَطِیۡعَ مَعِیَ صَبۡرًا ﴿۷۵﴾
018.075 Qala alam aqul laka innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran
18:75 Hij zei: "Heb ik u niet gezegd dat u nooit in staat zal zijn om geduld met me te hebben?"

قَالَ اِنۡ سَاَلۡتُکَ عَنۡ شَیۡءٍۭ بَعۡدَہَا فَلَا تُصٰحِبۡنِیۡ ۚ قَدۡ بَلَغۡتَ مِنۡ لَّدُنِّیۡ عُذۡرًا ﴿۷۶﴾
018.076 Qala in saaltuka AAan shay-in baAAdaha fala tusahibnee qad balaghta min ladunnee AAuthran
18:76 Hij (Moesa) zei: "Als ik u hierna nog iets vraag, neem me dan niet als uw compagnon. Waarlijk, u heeft al een verontschuldiging van me gehad."

فَانۡطَلَقَا ٝ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَتَیَاۤ اَہۡلَ قَرۡیَۃِۣ اسۡتَطۡعَمَاۤ اَہۡلَہَا فَاَبَوۡا اَنۡ یُّضَیِّفُوۡہُمَا فَوَجَدَا فِیۡہَا جِدَارًا یُّرِیۡدُ اَنۡ یَّنۡقَضَّ فَاَقَامَہٗ ؕ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَیۡہِ اَجۡرًا ﴿۷۷﴾
018.077 Faintalaqa hatta itha ataya ahla qaryatin istatAAama ahlaha faabaw an yudayyifoohuma fawajada feeha jidaran yureedu an yanqadda faaqamahu qala law shi/ta laittakhathta AAalayhi ajran
18:77 Ze gingen dus verder totdat ze bij een stad aankwamen en de mensen om voedsel vroegen. Echter, ze weigerden hen gastvrijheid te geven. Vervolgens, vonden ze daar een muur die dreigde in te storten. Hij zette deze weer recht. Hij (Moesa) zei: "Als u het wilde, dan kon u zeker hiervoor een vergoeding vragen."

قَالَ ہٰذَا فِرَاقُ بَیۡنِیۡ وَ بَیۡنِکَ ۚ سَاُنَبِّئُکَ بِتَاۡوِیۡلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿۷۸﴾
018.078 Qala hatha firaqu baynee wabaynika saonabbi-oka bita/weeli ma lam tastatiAA AAalayhi sabran
18:78 Hij zei: "Dit is de scheiding tussen mij en u. Ik zal u de uitleg geven over datgeen waar u niet in staat was geduld over te hebben."

اَمَّا السَّفِیۡنَۃُ فَکَانَتۡ لِمَسٰکِیۡنَ یَعۡمَلُوۡنَ فِی الۡبَحۡرِ فَاَرَدۡتُّ اَنۡ اَعِیۡبَہَا وَ کَانَ وَرَآءَہُمۡ مَّلِکٌ یَّاۡخُذُ کُلَّ سَفِیۡنَۃٍ غَصۡبًا ﴿۷۹﴾
018.079 Amma alssafeenatu fakanat limasakeena yaAAmaloona fee albahri faaradtu an aAAeebaha wakana waraahum malikun ya/khuthu kulla safeenatin ghasban
18:79 Wat het schip betreft. Het was van arme mensen die op de zee werken. Dus wilde ik het onbruikbaar maken, omdat er een koning daarna zou komen die elke schip gedwongen in beslag zou nemen."

وَ اَمَّا الۡغُلٰمُ فَکَانَ اَبَوٰہُ مُؤۡمِنَیۡنِ فَخَشِیۡنَاۤ اَنۡ یُّرۡہِقَہُمَا طُغۡیَانًا وَّ کُفۡرًا ﴿ۚ۸۰﴾
018.080 Waamma alghulamu fakana abawahu mu/minayni fakhasheena an yurhiqahuma tughyanan wakufran
18:80 Wat de jongen betreft. Zijn ouders waren gelovig, echter wij waren bang dat hij hen zou dwingen tot het begaan van overtredingen en tot het accepteren van ongeloof.

فَاَرَدۡنَاۤ اَنۡ یُّبۡدِلَہُمَا رَبُّہُمَا خَیۡرًا مِّنۡہُ زَکٰوۃً وَّ اَقۡرَبَ رُحۡمًا ﴿۸۱﴾
018.081 Faaradna an yubdilahuma rabbuhuma khayran minhu zakatan waaqraba ruhman
18:81 Daarom wilden wij dat hun Heer hem zou verruilen met iemand die beter is in oprechtheid en in barmhartigheid dan dat hij was.

وَ اَمَّا الۡجِدَارُ فَکَانَ لِغُلٰمَیۡنِ یَتِیۡمَیۡنِ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ وَ کَانَ تَحۡتَہٗ کَنۡزٌ لَّہُمَا وَ کَانَ اَبُوۡہُمَا صَالِحًا ۚ فَاَرَادَ رَبُّکَ اَنۡ یَّبۡلُغَاۤ اَشُدَّہُمَا وَ یَسۡتَخۡرِجَا کَنۡزَہُمَا ٭ۖ رَحۡمَۃً مِّنۡ رَّبِّکَ ۚ وَ مَا فَعَلۡتُہٗ عَنۡ اَمۡرِیۡ ؕ ذٰلِکَ تَاۡوِیۡلُ مَا لَمۡ تَسۡطِعۡ عَّلَیۡہِ صَبۡرًا ﴿ؕ٪۸۲﴾
018.082 Waamma aljidaru fakana lighulamayni yateemayni fee almadeenati wakana tahtahu kanzun lahuma wakana aboohuma salihan faarada rabbuka an yablugha ashuddahuma wayastakhrija kanzahuma rahmatan min rabbika wama faAAaltuhu AAan amree thalika ta/weelu ma lam tastiAA AAalayhi sabran
18:82 En wat de muur betreft, het was bedoeld voor twee weesjongens uit de stad. Eronder lag een schat dat bestemd was voor hen. Hun vader was een oprechte man. Daarom wilde uw Heer dat wanneer ze hun volwassenheid bereikten, ze de schat konden bemachtigen. Dit als een gunst van uw Heer. En ik deed het niet uit mijn eigen wil. Dat is de uitleg van hetgeen waarmee u geen geduld had."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنۡ ذِی الۡقَرۡنَیۡنِ ؕ قُلۡ سَاَتۡلُوۡا عَلَیۡکُمۡ مِّنۡہُ ذِکۡرًا ﴿ؕ۸۳﴾
018.083 Wayas-aloonaka AAan thee alqarnayni qul saatloo AAalaykum minhu thikran
18:83 En ze vragen u over Dzoel-Qarnain. Zeg: "Ik zal jullie wat van zijn historie reciteren."

اِنَّا مَکَّنَّا لَہٗ فِی الۡاَرۡضِ وَ اٰتَیۡنٰہُ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ سَبَبًا ﴿ۙ۸۴﴾
018.084 Inna makkanna lahu fee al-ardi waataynahu min kulli shay-in sababan
18:84 Wij versterkten zijn positie op aarde en Wij gaven hem de middelen voor alles. (Notitie: Dzoel-Qarnais was van de Muhsinien, persoon met het hoogste niveau van geloof. Dus gad Allah hem Zijn barmhartigheid. Zie ook 7:56)

فَاَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۸۵﴾
018.085 FaatbaAAa sababan
18:85 Dus volgende een pad en koos een westelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَغۡرِبَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَغۡرُبُ فِیۡ عَیۡنٍ حَمِئَۃٍ وَّ وَجَدَ عِنۡدَہَا قَوۡمًا ۬ؕ قُلۡنَا یٰذَا الۡقَرۡنَیۡنِ اِمَّاۤ اَنۡ تُعَذِّبَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ تَتَّخِذَ فِیۡہِمۡ حُسۡنًا ﴿۸۶﴾
018.086 Hatta itha balagha maghriba alshshamsi wajadaha taghrubu fee AAaynin hami-atin wawajada AAindaha qawman qulna ya tha alqarnayni imma an tuAAaththiba wa-imma an tattakhitha feehim husnan
18:86 Totdat hij de plek bereikte waar de zon onderging. Hij zag hem (de weerspiegeling van de zon) ondergaan in een bron van modderige (hete) water. Daar in de buurt trof hij een volk aan. Wij zeiden: "O Dzoelqarain! Je kan ze straffen of goed behandelen."

قَالَ اَمَّا مَنۡ ظَلَمَ فَسَوۡفَ نُعَذِّبُہٗ ثُمَّ یُرَدُّ اِلٰی رَبِّہٖ فَیُعَذِّبُہٗ عَذَابًا نُّکۡرًا ﴿۸۷﴾
018.087 Qala amma man thalama fasawfa nuAAaththibuhu thumma yuraddu ila rabbihi fayuAAaththibuhu AAathaban nukran
18:87 Hij zei: "Wat degene betreft die onrechtvaardig is, die zullen wij straffen. Vervolgens zal hij tot zijn Heer terugkeren en Hij (Allah) zal hem dan straffen met een zeer verschrikkelijke straf."

وَ اَمَّا مَنۡ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا فَلَہٗ جَزَآءَۨ الۡحُسۡنٰی ۚ وَ سَنَقُوۡلُ لَہٗ مِنۡ اَمۡرِنَا یُسۡرًا ﴿ؕ۸۸﴾
018.088 Waamma man amana waAAamila salihan falahu jazaan alhusna wasanaqoolu lahu min amrina yusran
18:88 "Echter wat betreft degene die gelooft en goede daden verricht, voor hem zal er een goede beloning zijn (het paradijs). En wij (Dzoel-Qarnain) zullen tegen hem met zachte woorden spreken voor het geven van instructies (voor het aanbidden van Allah)."

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۸۹﴾
018.089 Thumma atbaAAa sababan
18:89 Vervolgens, vervolgde hij zijn pad en koos voor een oostelijke richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ مَطۡلِعَ الشَّمۡسِ وَجَدَہَا تَطۡلُعُ عَلٰی قَوۡمٍ لَّمۡ نَجۡعَلۡ لَّہُمۡ مِّنۡ دُوۡنِہَا سِتۡرًا ﴿ۙ۹۰﴾
018.090 Hatta itha balagha matliAAa alshshamsi wajadaha tatluAAu AAala qawmin lam najAAal lahum min dooniha sitran
18:90 Totdat hij, de plek bereikte waar de zon opkwam. Hij zag hem (de zon) opkomen over een volk waarvoor Wij geen beschutting ervoor (tegen de zon) hadden gemaakt.

کَذٰلِکَ ؕ وَ قَدۡ اَحَطۡنَا بِمَا لَدَیۡہِ خُبۡرًا ﴿۹۱﴾
018.091 Kathalika waqad ahatna bima ladayhi khubran
18:91 En dus was dat (de toestand van dat volk). En waarlijk Wij omvatten alle beslissingen die hij nam.

ثُمَّ اَتۡبَعَ سَبَبًا ﴿۹۲﴾
018.092 Thumma atbaAAa sababan
18:92 Vervolgens, vervolgde hij zijn weg en koos een (andere) richting.

حَتّٰۤی اِذَا بَلَغَ بَیۡنَ السَّدَّیۡنِ وَجَدَ مِنۡ دُوۡنِہِمَا قَوۡمًا ۙ لَّا یَکَادُوۡنَ یَفۡقَہُوۡنَ قَوۡلًا ﴿۹۳﴾
018.093 Hatta itha balagha bayna alssaddayni wajada min doonihima qawman la yakadoona yafqahoona qawlan
18:93 Totdat hij, tussen twee bergen een volk aantrof dat nauwelijks een woord begreep.

قَالُوۡا یٰذَاالۡقَرۡنَیۡنِ اِنَّ یَاۡجُوۡجَ وَ مَاۡجُوۡجَ مُفۡسِدُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ فَہَلۡ نَجۡعَلُ لَکَ خَرۡجًا عَلٰۤی اَنۡ تَجۡعَلَ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَہُمۡ سَدًّا ﴿۹۴﴾
018.094 Qaloo ya tha alqarnayni inna ya/jooja wama/jooja mufsidoona fee al-ardi fahal najAAalu laka kharjan AAala an tajAAala baynana wabaynahum saddan
18:94 Ze zeiden: "O Dzoel-Qarnain! Voorzeker, (de volken) Yadjoed (Gog) en Madjoed (Magog) zijn verder-zaaiers op aarde. Kunnen we jou een vergoeding geven zodat jij een barrière maakt tussen ons en hen?

قَالَ مَا مَکَّنِّیۡ فِیۡہِ رَبِّیۡ خَیۡرٌ فَاَعِیۡنُوۡنِیۡ بِقُوَّۃٍ اَجۡعَلۡ بَیۡنَکُمۡ وَ بَیۡنَہُمۡ رَدۡمًا ﴿ۙ۹۵﴾
018.095 Qala ma makkannee feehi rabbee khayrun faaAAeenoonee biquwwatin ajAAal baynakum wabaynahum radman
18:95 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Wat mijn Heer me (aan kracht en macht) heeft gegeven is beter, maar ondersteun me met mankracht. Ik zal tussen jullie en hen een barrière maken." (Notitie: Dzoel-Qarnain wilde hen ook onderwijzen).

اٰتُوۡنِیۡ زُبَرَ الۡحَدِیۡدِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا سَاوٰی بَیۡنَ الصَّدَفَیۡنِ قَالَ انۡفُخُوۡا ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَعَلَہٗ نَارًا ۙ قَالَ اٰتُوۡنِیۡۤ اُفۡرِغۡ عَلَیۡہِ قِطۡرًا ﴿ؕ۹۶﴾
018.096 Atoonee zubara alhadeedi hatta itha sawa bayna alsadafayni qala onfukhoo hatta itha jaAAalahu naran qala atoonee ofrigh AAalayhi qitran
18:96 (Hij zei:) "Breng me brokken ijzer!" Toen hij de ruimte tussen de twee kliffen op gelijke hoogte had opgevuld, zei hij: "Blaas!", totdat hij het (zo rood) als vuur had gemaakt en zei: "Breng me gesmolten koper om het eroverheen te gieten!" (Notitie: het blazen werd waarschijnlijk gedaan met een blaasbalg.)

فَمَا اسۡطَاعُوۡۤا اَنۡ یَّظۡہَرُوۡہُ وَ مَا اسۡتَطَاعُوۡا لَہٗ نَقۡبًا ﴿۹۷﴾
018.097 Fama istaAAoo an yathharoohu wama istataAAoo lahu naqban
18:97 Dus ze waren niet in staat om het te beklimmen of om er doorheen te breken.

قَالَ ہٰذَا رَحۡمَۃٌ مِّنۡ رَّبِّیۡ ۚ فَاِذَا جَآءَ وَعۡدُ رَبِّیۡ جَعَلَہٗ دَکَّآءَ ۚ وَ کَانَ وَعۡدُ رَبِّیۡ حَقًّا ﴿ؕ۹۸﴾
018.098 Qala hatha rahmatun min rabbee fa-itha jaa waAAdu rabbee jaAAalahu dakkaa wakana waAAdu rabbee haqqan
18:98 Hij (Dzoel-Qarnain) zei: "Dit is een gunst van mijn Heer. Echter, wanneer de toezegging van mijn Heer komt, dan maakt Hij het tot een vlakte. En de toezegging van mijn Heer is waar."

وَ تَرَکۡنَا بَعۡضَہُمۡ یَوۡمَئِذٍ یَّمُوۡجُ فِیۡ بَعۡضٍ وَّ نُفِخَ فِی الصُّوۡرِ فَجَمَعۡنٰہُمۡ جَمۡعًا ﴿ۙ۹۹﴾
018.099 Watarakna baAAdahum yawma-ithin yamooju fee baAAdin wanufikha fee alssoori fajamaAAnahum jamAAan
18:99 Op die dag (wanneer er geen barriere meer is voor Yadjoed en Madjoed) zullen Wij ze laten bewegen zoals golven op elkaar bewegen. En er zal in de trompet worden geblazen, vervolgens zullen Wij hen allen bij elkaar brengen.

وَّ عَرَضۡنَا جَہَنَّمَ یَوۡمَئِذٍ لِّلۡکٰفِرِیۡنَ عَرۡضَۨا ﴿۱۰۰﴾ۙ
018.100 WaAAaradna jahannama yawma-ithin lilkafireena AAardan
18:100 En op die Dag zullen Wij de Hel aan de ongelovigen laten zien.

الَّذِیۡنَ کَانَتۡ اَعۡیُنُہُمۡ فِیۡ غِطَـآءٍ عَنۡ ذِکۡرِیۡ وَ کَانُوۡا لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ سَمۡعًا ﴿۱۰۱﴾٪
018.101 Allatheena kanat aAAyunuhum fee ghita-in AAan thikree wakanoo la yastateeAAoona samAAan
18:101 Degenen waar de ogen van versluierd waren voor het gedenken van Mij en die niet in staat waren om te luisteren. (Notitie: Allah had een bedenking over hun ogen en oren geplaatst vanwege hun daden, zodat ze niet konden zien en luisteren naar de vermaning.)

اَفَحَسِبَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡۤا اَنۡ یَّتَّخِذُوۡا عِبَادِیۡ مِنۡ دُوۡنِیۡۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ اِنَّـاۤ اَعۡتَدۡنَا جَہَنَّمَ لِلۡکٰفِرِیۡنَ نُزُلًا ﴿۱۰۲﴾
018.102 Afahasiba allatheena kafaroo an yattakhithoo AAibadee min doonee awliyaa inna aAAtadna jahannama lilkafireena nuzulan
18:102 Denken de ongelovigen dat ze Mijn dienaren als beschermers kunnen nemen in plaats van Mij? Voorzeker, Wij hebben de Hel klaargemaakt als een verblijfplaats voor de ongelovigen.

قُلۡ ہَلۡ نُنَبِّئُکُمۡ بِالۡاَخۡسَرِیۡنَ اَعۡمَالًا ﴿۱۰۳﴾ؕ
018.103 Qul hal nunabbi-okum bial-akhsareena aAAmalan
18:103 Zeg: "Zullen Wij jullie op de hoogte brengen van de grootste verliezers voortkomend door hun eigen toedoen?"

اَلَّذِیۡنَ ضَلَّ سَعۡیُہُمۡ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا وَ ہُمۡ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ یُحۡسِنُوۡنَ صُنۡعًا ﴿۱۰۴﴾
018.104 Allatheena dalla saAAyuhum fee alhayati alddunya wahum yahsaboona annahum yuhsinoona sunAAan
18:104 Dat zijn degenen waarvan de daden vruchteloos waren in het wereldse leven, terwijl ze dachten dat ze goede werk deden.

اُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا بِاٰیٰتِ رَبِّہِمۡ وَ لِقَآئِہٖ فَحَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ فَلَا نُقِیۡمُ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وَزۡنًا ﴿۱۰۵﴾
018.105 Ola-ika allatheena kafaroo bi-ayati rabbihim waliqa-ihi fahabitat aAAmaluhum fala nuqeemu lahum yawma alqiyamati waznan
18:105 Dat zijn degenen die niet geloven in de tekenen van hun Heer en in de ontmoeting met Hem. Hun daden zijn dus vruchteloos. Wij zullen dus geen waarde hechten aan hen op de dag van de opstanding.

ذٰلِکَ جَزَآؤُہُمۡ جَہَنَّمُ بِمَا کَفَرُوۡا وَ اتَّخَذُوۡۤا اٰیٰتِیۡ وَ رُسُلِیۡ ہُزُوًا ﴿۱۰۶﴾
018.106 Thalika jazaohum jahannamu bima kafaroo waittakhathoo ayatee warusulee huzuwan
18:106 Dat zal hun vergelding zijn, de Hel, omdat ze niet geloofden en Mijn Tekenen en boodschappers bespotten.

اِنَّ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ کَانَتۡ لَہُمۡ جَنّٰتُ الۡفِرۡدَوۡسِ نُزُلًا ﴿۱۰۷﴾ۙ
018.107 Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati kanat lahum jannatu alfirdawsi nuzulan
18:107 Voorzeker, degenen die geloofden en goede daden verrichtten voor hen zullen de tuinen van het paradijs als verblijfplaats zijn.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا لَا یَبۡغُوۡنَ عَنۡہَا حِوَلًا ﴿۱۰۸﴾
018.108 Khalideena feeha la yabghoona AAanha hiwalan
18:108 Eeuwig zullen ze er in vertoeven. Ze zullen geen enkel verandering in (het paradijs) willen.

قُلۡ لَّوۡ کَانَ الۡبَحۡرُ مِدَادًا لِّکَلِمٰتِ رَبِّیۡ لَنَفِدَ الۡبَحۡرُ قَبۡلَ اَنۡ تَنۡفَدَ کَلِمٰتُ رَبِّیۡ وَ لَوۡ جِئۡنَا بِمِثۡلِہٖ مَدَدًا ﴿۱۰۹﴾
018.109 Qul law kana albahru midadan likalimati rabbee lanafida albahru qabla an tanfada kalimatu rabbee walaw ji/na bimithlihi madadan
18:109 Zeg: "Als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee zeker uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raken. Zelfs als Wij daaraan een gelijke hoeveelheid aan toe voegen." (Notitie: zie ook 31:27)

قُلۡ اِنَّمَاۤ اَنَا بَشَرٌ مِّثۡلُکُمۡ یُوۡحٰۤی اِلَیَّ اَنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمۡ اِلٰہٌ وَّاحِدٌ ۚ فَمَنۡ کَانَ یَرۡجُوۡا لِقَآءَ رَبِّہٖ فَلۡیَعۡمَلۡ عَمَلًا صَالِحًا وَّ لَا یُشۡرِکۡ بِعِبَادَۃِ رَبِّہٖۤ اَحَدًا ﴿۱۱۰﴾٪
018.110 Qul innama ana basharun mithlukum yooha ilayya annama ilahukum ilahun wahidun faman kana yarjoo liqaa rabbihi falyaAAmal AAamalan salihan wala yushrik biAAibadati rabbihi ahadan
18:110 Zeg: "Voorwaar, ik ben alleen een mens net als jullie. Aan mij is geopenbaard dat jullie godheid/deïteit één deïteit is. Dus wie op de ontmoeting van zijn Heer hoopt, laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen."


www.heiligekoran.nl