20 Taa Haa
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige
طٰہٰ ۚ﴿۱﴾
020.001 Ta-ha
20:1 Toa Ha

مَاۤ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکَ الۡقُرۡاٰنَ لِتَشۡقٰۤی ۙ﴿۲﴾
020.002 Ma anzalna AAalayka alqur-ana litashqa
20:2 Wij hebben de Koran niet op jou neergedaalt om jou verdrietig te maken.

اِلَّا تَذۡکِرَۃً لِّمَنۡ یَّخۡشٰی ۙ﴿۳﴾
020.003 Illa tathkiratan liman yakhsha
20:3 Maar (het is) als een herinnerring voor degenen die (Allah) vrezen.

تَنۡزِیۡلًا مِّمَّنۡ خَلَقَ الۡاَرۡضَ وَ السَّمٰوٰتِ الۡعُلٰی ؕ﴿۴﴾
020.004 Tanzeelan mimman khalaqa al-arda waalssamawati alAAula
20:4 (Het is) een openbaring van Hem Die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft.

اَلرَّحۡمٰنُ عَلَی الۡعَرۡشِ اسۡتَوٰی ﴿۵﴾
020.005 Alrrahmanu AAala alAAarshi istawa
20:5 De meest Barmhartige 'Istawa' (steeg op) de troon (op een manier die bij Zijn Majesteit past). (Notitie: zie ook 10:3.)

لَہٗ مَا فِی السَّمٰوٰتِ وَ مَا فِی الۡاَرۡضِ وَ مَا بَیۡنَہُمَا وَ مَا تَحۡتَ الثَّرٰی ﴿۶﴾
020.006 Lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi wama baynahuma wama tahta alththara
20:6 Tot Hem behoort al datgeen wat zich in de hemelen en op de aarde bevindt. En ook wat zich tussen beide en onder de grond bevindt.

وَ اِنۡ تَجۡہَرۡ بِالۡقَوۡلِ فَاِنَّہٗ یَعۡلَمُ السِّرَّ وَ اَخۡفٰی ﴿۷﴾
020.007 Wa-in tajhar bialqawli fa-innahu yaAAlamu alssirra waakhfa
20:7 En als je hardop spreekt (Hij weet ervan). Waarlijk, Hij weet wat er in het geheim gezegd wordt en zelfs wat nog dieper verborgen is.

اَللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ لَہُ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی ﴿۸﴾
020.008 Allahu la ilaha illa huwa lahu al-asmao alhusna
20:8 Allah, er is geen (andere) deïteit/godheid dan Hem. Tot Hem behoren de meest mooie namen. (Notitie: zie ook 17:110)

وَ ہَلۡ اَتٰىکَ حَدِیۡثُ مُوۡسٰی ۘ﴿۹﴾
020.009 Wahal ataka hadeethu moosa
20:9 Heeft het verhaal van Moesa jou bereikt?

اِذۡ رَاٰ نَارًا فَقَالَ لِاَہۡلِہِ امۡکُثُوۡۤا اِنِّیۡۤ اٰنَسۡتُ نَارًا لَّعَلِّیۡۤ اٰتِیۡکُمۡ مِّنۡہَا بِقَبَسٍ اَوۡ اَجِدُ عَلَی النَّارِ ہُدًی ﴿۱۰﴾
020.010 Ith raa naran faqala li-ahlihi omkuthoo innee anastu naran laAAallee ateekum minha biqabasin aw ajidu AAala alnnari hudan
20:10 Toen hij een vuur zag, zei hij tegen zijn familie: "Blijf hier. Voorzeker, ik zie een vuur. Misschien kan ik vuur voor jullie mee brengen of misschien vind ik bij het vuur leiding (iemand die mij kan leiden). (Notitie: zie ook 27:7 en 28:29).

فَلَمَّاۤ اَتٰىہَا نُوۡدِیَ یٰمُوۡسٰی ﴿ؕ۱۱﴾
020.011 Falamma ataha noodiya ya moosa
20:11 Toen hij daar aankwam, werd hij geroepen: "O Moesa!"

اِنِّیۡۤ اَنَا رَبُّکَ فَاخۡلَعۡ نَعۡلَیۡکَ ۚ اِنَّکَ بِالۡوَادِ الۡمُقَدَّسِ طُوًی ﴿ؕ۱۲﴾
020.012 Innee ana rabbuka faikhlaAA naAAlayka innaka bialwadi almuqaddasi tuwan
20:12 "Voorzeker, Ik ben jouw Heer. Doe je schoenen uit, voorzeker, je bevindt zich in de heilige vallei Thuwa."

وَ اَنَا اخۡتَرۡتُکَ فَاسۡتَمِعۡ لِمَا یُوۡحٰی ﴿۱۳﴾
020.013 Waana ikhtartuka faistamiAA lima yooha
20:13 "Ik heb jou gekozen, dus luister naar datgeen wat geopenbaard wordt."

اِنَّنِیۡۤ اَنَا اللّٰہُ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّاۤ اَنَا فَاعۡبُدۡنِیۡ ۙ وَ اَقِمِ الصَّلٰوۃَ لِذِکۡرِیۡ ﴿۱۴﴾
020.014 Innanee ana Allahu la ilaha illa ana faoAAbudnee waaqimi alssalata lithikree
20:14 "Voorzeker, Ik ben Allah. Er is geen deïteit/godheid dan Ik. Dus aanbid Mij en onderhoud de salaat om Mij te gedenken."

اِنَّ السَّاعَۃَ اٰتِیَۃٌ اَکَادُ اُخۡفِیۡہَا لِتُجۡزٰی کُلُّ نَفۡسٍۭ بِمَا تَسۡعٰی ﴿۱۵﴾
020.015 Inna alssaAAata atiyatun akadu okhfeeha litujza kullu nafsin bima tasAAa
20:15 "Voorzeker, het uur (dag des oordeel) komt eraan. Ik sta op het punt om het te onthullen zodat ieder persoon beloond kan worden voor datgeen waarnaar hij streeft."

فَلَا یَصُدَّنَّکَ عَنۡہَا مَنۡ لَّا یُؤۡمِنُ بِہَا وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ فَتَرۡدٰی ﴿۱۶﴾
020.016 Fala yasuddannaka AAanha man la yu/minu biha waittabaAAa hawahu fatarda
20:16 "Dus laat je daarom er niet van afleiden door degene die er niet in gelooft en zijn verlangens volgt, anders zul je vernietigd worden."

وَ مَا تِلۡکَ بِیَمِیۡنِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۱۷﴾
020.017 Wama tilka biyameenika ya moosa
20:17 "Wat is datgeen in jouw rechterhand, O Moesa?"

قَالَ ہِیَ عَصَایَ ۚ اَتَوَکَّؤُا عَلَیۡہَا وَ اَہُشُّ بِہَا عَلٰی غَنَمِیۡ وَ لِیَ فِیۡہَا مَاٰرِبُ اُخۡرٰی ﴿۱۸﴾
020.018 Qala hiya AAasaya atawakkao AAalayha waahushshu biha AAala ghanamee waliya feeha maaribu okhra
20:18 Hij (Moesa) zei: "Het is mijn staf. Ik leun erop en sla er bladeren mee af voor mijn schapen. En ik gebruik het ook voor andere dingen."

قَالَ اَلۡقِہَا یٰمُوۡسٰی ﴿۱۹﴾
020.019 Qala alqiha ya moosa
20:19 Hij zei: "Werp hem neer, O Moesa!"

فَاَلۡقٰہَا فَاِذَا ہِیَ حَیَّۃٌ تَسۡعٰی ﴿۲۰﴾
020.020 Faalqaha fa-itha hiya hayyatun tasAAa
20:20 Dus wierp hij het. Aanschouw! Het werd een slang die snel bewoog.

قَالَ خُذۡہَا وَ لَا تَخَفۡ ٝ سَنُعِیۡدُہَا سِیۡرَتَہَا الۡاُوۡلٰی ﴿۲۱﴾
020.021 Qala khuthha wala takhaf sanuAAeeduha seerataha al-oola
20:21 Hij zei: "Pak het en wees niet bang. Wij zullen het terugbrengen tot zijn voormalige toestand."

وَ اضۡمُمۡ یَدَکَ اِلٰی جَنَاحِکَ تَخۡرُجۡ بَیۡضَآءَ مِنۡ غَیۡرِ سُوۡٓءٍ اٰیَۃً اُخۡرٰی ﴿ۙ۲۲﴾
020.022 Waodmum yadaka ila janahika takhruj baydaa min ghayri soo-in ayatan okhra
20:22 "En zet je hand onder je oksel. Het zal wit (en schijnend) worden, zonder enige ziekte. Dit als een ander teken." <-----

لِنُرِیَکَ مِنۡ اٰیٰتِنَا الۡکُبۡرٰی ﴿ۚ۲۳﴾
020.023 Linuriyaka min ayatina alkubra
20:23 "(Dit alles doen Wij) Zodat Wij jou (enkele) van Onze grootse tekenen kunnen laten zien."

اِذۡہَبۡ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿٪۲۴﴾
020.024 Ithhab ila firAAawna innahu tagha
20:24 "Ga naar Farao! Voorzeker, hij overtreedt!"

قَالَ رَبِّ اشۡرَحۡ لِیۡ صَدۡرِیۡ ﴿ۙ۲۵﴾
020.025 Qala rabbi ishrah lee sadree
20:25 Hij (Moesa) zei: "O mijn Heer! Verruim mijn borst."

وَ یَسِّرۡ لِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿ۙ۲۶﴾
020.026 Wayassir lee amree
20:26 "En maak mijn taak makkelijk voor me."

وَ احۡلُلۡ عُقۡدَۃً مِّنۡ لِّسَانِیۡ ﴿ۙ۲۷﴾
020.027 Waohlul AAuqdatan min lisanee
20:27 "En verwijder de knoop uit mijn tong." (Notitie: met andere woorden, maak het spreken makkelijk voor me. Zie ook 43:52.)

یَفۡقَہُوۡا قَوۡلِیۡ ﴿۪۲۸﴾
020.028 Yafqahoo qawlee
20:28 "Zodat ze mijn toespraak zullen begrijpen."

وَ اجۡعَلۡ لِّیۡ وَزِیۡرًا مِّنۡ اَہۡلِیۡ ﴿ۙ۲۹﴾
020.029 WaijAAal lee wazeeran min ahlee
20:29 "En ken mij een helper toe, uit mijn familie,"

ہٰرُوۡنَ اَخِی ﴿ۙ۳۰﴾
020.030 Haroona akhee
20:30 "Haroen, mijn broeder."

اشۡدُدۡ بِہٖۤ اَزۡرِیۡ ﴿ۙ۳۱﴾
020.031 Oshdud bihi azree
20:31 "Versterk met behulp van hem mijn kracht."

وَ اَشۡرِکۡہُ فِیۡۤ اَمۡرِیۡ ﴿ۙ۳۲﴾
020.032 Waashrik-hu fee amree
20:32 "En laat hem mijn taak delen."

کَیۡ نُسَبِّحَکَ کَثِیۡرًا ﴿ۙ۳۳﴾
020.033 Kay nusabbihaka katheeran
20:33 "Zodat wij (samen) U veel kunnen verheerlijken,"

وَّ نَذۡکُرَکَ کَثِیۡرًا ﴿ؕ۳۴﴾
020.034 Wanathkuraka katheeran
20:34 "en U veel kunnen gedenken."

اِنَّکَ کُنۡتَ بِنَا بَصِیۡرًا ﴿۳۵﴾
020.035 Innaka kunta bina baseeran
20:35 "Voorzeker, U ziet alles van en over ons."

قَالَ قَدۡ اُوۡتِیۡتَ سُؤۡلَکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۳۶﴾
020.036 Qala qad ooteeta su/laka ya moosa
20:36 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, jouw verzoek is ingewilligd, O Moesa!" (Notitie: zie ook 2:186, van het accepteren van het smeekgebed.)

وَ لَقَدۡ مَنَنَّا عَلَیۡکَ مَرَّۃً اُخۡرٰۤی ﴿ۙ۳۷﴾
020.037 Walaqad mananna AAalayka marratan okhra
20:37 "En voorzeker, Wij hebben jou al eerder een gunst geschonken,"

اِذۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰۤی اُمِّکَ مَا یُوۡحٰۤی ﴿ۙ۳۸﴾
020.038 Ith awhayna ila ommika ma yooha
20:38 "toen Wij jouw moeder ingaven door middel van inspiratie."

اَنِ اقۡذِفِیۡہِ فِی التَّابُوۡتِ فَاقۡذِفِیۡہِ فِی الۡیَمِّ فَلۡیُلۡقِہِ الۡیَمُّ بِالسَّاحِلِ یَاۡخُذۡہُ عَدُوٌّ لِّیۡ وَ عَدُوٌّ لَّہٗ ؕ وَ اَلۡقَیۡتُ عَلَیۡکَ مَحَبَّۃً مِّنِّیۡ ۬ۚ وَ لِتُصۡنَعَ عَلٰی عَیۡنِیۡ ﴿ۘ۳۹﴾
020.039 Ani iqthifeehi fee alttabooti faiqthifeehi fee alyammi falyulqihi alyammu bialssahili ya/khuthhu AAaduwwun lee waAAaduwwun lahu waalqaytu AAalayka mahabbatan minnee walitusnaAAa AAala AAaynee
20:39 (Wij inspireerde haar:) "Leg hem in het kistje en plaats het vervolgens in de rivier. De rivier zal het aan de kust brengen. Een vijand van Mij en van hem, zal hem dan meenemen. En Ik spreidde Mijn liefde over jou, zodat jij groot werd gebracht onder Mijn toezicht." (Notitie: iedereen die Moesa zag hield van hem.)

اِذۡ تَمۡشِیۡۤ اُخۡتُکَ فَتَقُوۡلُ ہَلۡ اَدُلُّکُمۡ عَلٰی مَنۡ یَّکۡفُلُہٗ ؕ فَرَجَعۡنٰکَ اِلٰۤی اُمِّکَ کَیۡ تَقَرَّ عَیۡنُہَا وَ لَا تَحۡزَنَ ۬ؕ وَ قَتَلۡتَ نَفۡسًا فَنَجَّیۡنٰکَ مِنَ الۡغَمِّ وَ فَتَنّٰکَ فُتُوۡنًا ۬۟ فَلَبِثۡتَ سِنِیۡنَ فِیۡۤ اَہۡلِ مَدۡیَنَ ۬ۙ ثُمَّ جِئۡتَ عَلٰی قَدَرٍ یّٰمُوۡسٰی ﴿۴۰﴾
020.040 Ith tamshee okhtuka fataqoolu hal adullukum AAala man yakfuluhu farajaAAnaka ila ommika kay taqarra AAaynuha wala tahzana waqatalta nafsan fanajjaynaka mina alghammi wafatannaka futoonan falabithta sineena fee ahli madyana thumma ji/ta AAala qadarin ya moosa
20:40 (Gedenk) Toen jou zus (naar hen) ging en zei: "Zal ik u iemand laten zien die voor hem kan verzorgen? Dus hebben Wij jou aan jouw moeder terug gegeven, zodat ze niet zou huilen en treuren. En jij hebt een man gedood, maar Wij redden jou van de problemen. En Wij hebben jou beproeft met een zware beproeving. Vervolgens verbleef je enige jaren met de mensen van Madyan. Daarna kwam je op de vastgestelde tijd (naar Ons), O Moesa!" (Notitie: Moesa verliet Egypte op zijn 30ste jaar. Vervolgens, trouwde hij in Madyan en werkte daar acht jaren onder een verbond/contract en twee extra jaren uit vrijwil voor de vader van zijn vrouw, zie 28:27. Toen hij 40 jaar was (de vastgestelde tijd), begon zijn profeetschap en kreeg hij de eerste openbaringen. Ook profeet Mohammed v.z.m.h. kreeg zijn profeetschap op zijn veertigste jaar.)

وَ اصۡطَنَعۡتُکَ لِنَفۡسِیۡ ﴿ۚ۴۱﴾
020.041 WaistanaAAtuka linafsee
20:41 "En ik heb jou voor Mijzelf gekozen."

اِذۡہَبۡ اَنۡتَ وَ اَخُوۡکَ بِاٰیٰتِیۡ وَ لَا تَنِیَا فِیۡ ذِکۡرِیۡ ﴿ۚ۴۲﴾
020.042 Ithhab anta waakhooka bi-ayatee wala taniya fee thikree
20:42 "Ga met mijn tekenen, jij en je broer! En verzwak niet in het gedenken van Mij."

اِذۡہَبَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ اِنَّہٗ طَغٰی ﴿ۚۖ۴۳﴾
020.043 Ithhaba ila firAAawna innahu tagha
20:43 "Ga jullie beiden naar de Farao. Voorzeker, hij heeft overtreden."

فَقُوۡلَا لَہٗ قَوۡلًا لَّیِّنًا لَّعَلَّہٗ یَتَذَکَّرُ اَوۡ یَخۡشٰی ﴿۴۴﴾
020.044 Faqoola lahu qawlan layyinan laAAallahu yatathakkaru aw yakhsha
20:44 "En spreek op een aardig wijze met hem, zodat hij zich kan vermanen of zal vrezen."

قَالَا رَبَّنَاۤ اِنَّنَا نَخَافُ اَنۡ یَّفۡرُطَ عَلَیۡنَاۤ اَوۡ اَنۡ یَّطۡغٰی ﴿۴۵﴾
020.045 Qala rabbana innana nakhafu an yafruta AAalayna aw an yatgha
20:45 Ze zeiden: "Onze Heer! Voorzeker, wij zijn bang dat hij ons direct zal straffen, of dat hij zware overschrijdende maatregelen zal nemen (tegen ons)."

قَالَ لَا تَخَافَاۤ اِنَّنِیۡ مَعَکُمَاۤ اَسۡمَعُ وَ اَرٰی ﴿۴۶﴾
020.046 Qala la takhafa innanee maAAakuma asmaAAu waara
20:46 Hij zei: "Wees niet bang! Voorzeker, Ik ben met jullie beiden. Ik hoor en Ik zie."

فَاۡتِیٰہُ فَقُوۡلَاۤ اِنَّا رَسُوۡلَا رَبِّکَ فَاَرۡسِلۡ مَعَنَا بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ وَ لَا تُعَذِّبۡہُمۡ ؕ قَدۡ جِئۡنٰکَ بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکَ ؕ وَ السَّلٰمُ عَلٰی مَنِ اتَّبَعَ الۡہُدٰی ﴿۴۷﴾
020.047 Fa/tiyahu faqoola inna rasoola rabbika faarsil maAAana banee isra-eela wala tuAAaththibhum qad ji/naka bi-ayatin min rabbika waalssalamu AAala mani ittabaAAa alhuda
20:47 "Ga dus naar hem toe, en zeg: "Voorzeker, wij beiden zijn boodschappers van jouw Heer. Stuur dus de kinderen van Israël met ons mee en martel hen niet. Waarlijk, we zijn met een teken van jouw heer gekomen. En vrede zal rusten op degene die de leiding volgt."

اِنَّا قَدۡ اُوۡحِیَ اِلَیۡنَاۤ اَنَّ الۡعَذَابَ عَلٰی مَنۡ کَذَّبَ وَ تَوَلّٰی ﴿۴۸﴾
020.048 Inna qad oohiya ilayna anna alAAathaba AAala man kaththaba watawalla
20:48 "Voorzeker, het is aan ons geopenbaard, dat de straf over hem zal zijn die (Allah en de tekenen) verwerpt en zich (ervan) afkeert."

قَالَ فَمَنۡ رَّبُّکُمَا یٰمُوۡسٰی ﴿۴۹﴾
020.049 Qala faman rabbukuma ya moosa
20:49 Hij (Farao) zei: "Wie is dan jullie Heer, O Moesa?!"

قَالَ رَبُّنَا الَّذِیۡۤ اَعۡطٰی کُلَّ شَیۡءٍ خَلۡقَہٗ ثُمَّ ہَدٰی ﴿۵۰﴾
020.050 Qala rabbuna allathee aAAta kulla shay-in khalqahu thumma hada
20:50 Hij zei: "Onze Heer is Degene Die aan elk iets zijn vorm heeft gegeven. Vervolgens heeft Hij het geleid."

قَالَ فَمَا بَالُ الۡقُرُوۡنِ الۡاُوۡلٰی ﴿۵۱﴾
020.051 Qala fama balu alqurooni al-oola
20:51 Hij (Farao) zei: "Hoe zit het met de oude generaties?"

قَالَ عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ فِیۡ کِتٰبٍ ۚ لَا یَضِلُّ رَبِّیۡ وَ لَا یَنۡسَی ﴿۫۵۲﴾
020.052 Qala AAilmuha AAinda rabbee fee kitabin la yadillu rabbee wala yansa
20:52 Hij zei: "De kennis daarover is (slechts) bij mijn Heer in een boek. Mijn Heer maakt geen fouten, noch vergeet Hij."

الَّذِیۡ جَعَلَ لَکُمُ الۡاَرۡضَ مَہۡدًا وَّ سَلَکَ لَکُمۡ فِیۡہَا سُبُلًا وَّ اَنۡزَلَ مِنَ السَّمَآءِ مَآءً ؕ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡ نَّبَاتٍ شَتّٰی ﴿۵۳﴾
020.053 Allathee jaAAala lakumu al-arda mahdan wasalaka lakum feeha subulan waanzala mina alssama-i maan faakhrajna bihi azwajan min nabatin shatta
20:53 (Hij is) Degene Die voor jullie de aarde als een bed maakte en die daarop wegen voor jullie maakte en water vanuit de hemel doet neerdalen. Vervolgens doen Wij ermee paren van verschillende soorten planten voortkomen.

کُلُوۡا وَ ارۡعَوۡا اَنۡعَامَکُمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿٪۵۴﴾
020.054 Kuloo wairAAaw anAAamakum inna fee thalika laayatin li-olee alnnuha
20:54 Eet ervan en laat jullie vee ervan grazen. Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor de bezitters van verstand.

مِنۡہَا خَلَقۡنٰکُمۡ وَ فِیۡہَا نُعِیۡدُکُمۡ وَ مِنۡہَا نُخۡرِجُکُمۡ تَارَۃً اُخۡرٰی ﴿۵۵﴾
020.055 Minha khalaqnakum wafeeha nuAAeedukum waminha nukhrijukum taratan okhra
20:55 Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie doen terugkeren (de dood). En op een andere\vastgestelde tijdstip zullen Wij jullie daar vanuit halen (de wederopstanding).

وَ لَقَدۡ اَرَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا کُلَّہَا فَکَذَّبَ وَ اَبٰی ﴿۵۶﴾
020.056 Walaqad araynahu ayatina kullaha fakaththaba waaba
20:56 En Waarlijk, Wij hebben al Onze Tekenen aan hem (Farao) laten zien, maar hij ontkende (Allah) en weigerde (zich over te geven).

قَالَ اَجِئۡتَنَا لِتُخۡرِجَنَا مِنۡ اَرۡضِنَا بِسِحۡرِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۵۷﴾
020.057 Qala aji/tana litukhrijana min ardina bisihrika ya moosa
20:57 Hij (Farao) zei: "Ben jij naar ons gekomen met jouw magie om ons uit ons land te verjagen, O Moesa?!"

فَلَنَاۡتِیَنَّکَ بِسِحۡرٍ مِّثۡلِہٖ فَاجۡعَلۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَکَ مَوۡعِدًا لَّا نُخۡلِفُہٗ نَحۡنُ وَ لَاۤ اَنۡتَ مَکَانًا سُوًی ﴿۵۸﴾
020.058 Falana/tiyannaka bisihrin mithlihi faijAAal baynana wabaynaka mawAAidan la nukhlifuhu nahnu wala anta makanan suwan
20:58 "Wij zullen dan ook een soortgelijke magie voor jou produceren! Laten we dus een afspraak maken, die wij noch jij kan afzeggen, op een open plek (waar iedereen het kan getuigen)."

قَالَ مَوۡعِدُکُمۡ یَوۡمُ الزِّیۡنَۃِ وَ اَنۡ یُّحۡشَرَ النَّاسُ ضُحًی ﴿۵۹﴾
020.059 Qala mawAAidukum yawmu alzzeenati waan yuhshara alnnasu duhan
20:59 Hij (Moesa) zei: "Jullie afspraak is op de dag van het festival en laat de mensen vroeg in de middag bijeenkomen."

فَتَوَلّٰی فِرۡعَوۡنُ فَجَمَعَ کَیۡدَہٗ ثُمَّ اَتٰی ﴿۶۰﴾
020.060 Fatawalla firAAawnu fajamaAAa kaydahu thumma ata
20:60 Vervolgens, afzonderde Farao zich (met zijn raadgevers en magiërs) voor het maken van zijn plannen en kwam daarna terug (naar Moesa).

قَالَ لَہُمۡ مُّوۡسٰی وَیۡلَکُمۡ لَا تَفۡتَرُوۡا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا فَیُسۡحِتَکُمۡ بِعَذَابٍ ۚ وَ قَدۡ خَابَ مَنِ افۡتَرٰی ﴿۶۱﴾
020.061 Qala lahum moosa waylakum la taftaroo AAala Allahi kathiban fayushitakum biAAathabin waqad khaba mani iftara
20:61 Moesa zei tot hen (de magiërs): "Wee jullie! Verzin geen leugens tegen Allah! Hij zal jullie vernietigen met een zware straf. Waarlijk, hij die verzint zal falen!"

فَتَنَازَعُوۡۤا اَمۡرَہُمۡ بَیۡنَہُمۡ وَ اَسَرُّوا النَّجۡوٰی ﴿۶۲﴾
020.062 FatanazaAAoo amrahum baynahum waasarroo alnnajwa
20:62 Vervolgens disputeerden ze (de magiërs) met elkaar in hun kwestie en hielden ze hun gesprekken geheim.

قَالُوۡۤا اِنۡ ہٰذٰىنِ لَسٰحِرٰنِ یُرِیۡدٰنِ اَنۡ یُّخۡرِجٰکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ بِسِحۡرِہِمَا وَ یَذۡہَبَا بِطَرِیۡقَتِکُمُ الۡمُثۡلٰی ﴿۶۳﴾
020.063 Qaloo in hathani lasahirani yureedani an yukhrijakum min ardikum bisihrihima wayathhaba bitareeqatikumu almuthla
20:63 Ze zeiden (tegen elkaar): "Voorzeker, deze twee magiërs (Moesa en Haroen) willen jullie met hun magie uit jullie land verdrijven en jullie beste levenswijze\systeem afschaffen."

فَاَجۡمِعُوۡا کَیۡدَکُمۡ ثُمَّ ائۡتُوۡا صَفًّا ۚ وَ قَدۡ اَفۡلَحَ الۡیَوۡمَ مَنِ اسۡتَعۡلٰی ﴿۶۴﴾
020.064 FaajmiAAoo kaydakum thumma i/too saffan waqad aflaha alyawma mani istaAAla
20:64 "Dus maak jullie plannen en kom dan vervolgens in een rij (als een groep). Waarlijk, wie op deze dag zal winnen zal succes boeken."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ اَوَّلَ مَنۡ اَلۡقٰی ﴿۶۵﴾
020.065 Qaloo ya moosa imma an tulqiya wa-imma an nakoona awwala man alqa
20:65 Ze zeiden: "O Moesa! Gooi jij eerst of zijn wij degenen die eerst moeten gooien?"

قَالَ بَلۡ اَلۡقُوۡا ۚ فَاِذَا حِبَالُہُمۡ وَ عِصِیُّہُمۡ یُخَیَّلُ اِلَیۡہِ مِنۡ سِحۡرِہِمۡ اَنَّہَا تَسۡعٰی ﴿۶۶﴾
020.066 Qala bal alqoo fa-itha hibaluhum waAAisiyyuhum yukhayyalu ilayhi min sihrihim annaha tasAAa
20:66 Hij zei: "Gooi maar!" Vervolgens aanschouw! Hun touwen en staven leken voor hem (Moesa) te bewegen door hun magie.

فَاَوۡجَسَ فِیۡ نَفۡسِہٖ خِیۡفَۃً مُّوۡسٰی ﴿۶۷﴾
020.067 Faawjasa fee nafsihi kheefatan moosa
20:67 Moesa voelde dus een angst in hem opkomen.

قُلۡنَا لَا تَخَفۡ اِنَّکَ اَنۡتَ الۡاَعۡلٰی ﴿۶۸﴾
020.068 Qulna la takhaf innaka anta al-aAAla
20:68 Wij zeiden: "Vrees niet! Voorzeker, je zult de overhand krijgen."

وَ اَلۡقِ مَا فِیۡ یَمِیۡنِکَ تَلۡقَفۡ مَا صَنَعُوۡا ؕ اِنَّمَا صَنَعُوۡا کَیۡدُ سٰحِرٍ ؕ وَ لَا یُفۡلِحُ السَّاحِرُ حَیۡثُ اَتٰی ﴿۶۹﴾
020.069 Waalqi ma fee yameenika talqaf ma sanaAAoo innama sanaAAoo kaydu sahirin wala yuflihu alssahiru haythu ata
20:69 "Gooi wat in jouw rechterhand is! Het zal datgeen wat ze gemaakt hebben opslokken. Voorzeker, dat wat ze gemaakt hebben, is alleen maar een magische truc. Het maakt niet uit hoe bekwaam de magiër ook is, hij zal nooit succes boeken."

فَاُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سُجَّدًا قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ ہٰرُوۡنَ وَ مُوۡسٰی ﴿۷۰﴾
020.070 Faolqiya alssaharatu sujjadan qaloo amanna birabbi haroona wamoosa
20:70 Dus werden de magiërs prostreerend op hun knieën geworpen. Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Moesa,"

قَالَ اٰمَنۡتُمۡ لَہٗ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ؕ اِنَّہٗ لَکَبِیۡرُکُمُ الَّذِیۡ عَلَّمَکُمُ السِّحۡرَ ۚ فَلَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ وَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ فِیۡ جُذُوۡعِ النَّخۡلِ ۫ وَ لَتَعۡلَمُنَّ اَیُّنَاۤ اَشَدُّ عَذَابًا وَّ اَبۡقٰی ﴿۷۱﴾
020.071 Qala amantum lahu qabla an athana lakum innahu lakabeerukumu allathee AAallamakumu alssihra falaoqattiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin walaosallibannakum fee juthooAAi alnnakhli walataAAlamunna ayyuna ashaddu AAathaban waabqa
20:71 Hij (Farao) zei: "Geloven jullie hem voordat ik jullie toestemming gaf? Voorzeker, hij die jullie magie onderwezen heeft, is jullie bevelhebber! Dus, ik zal jullie handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhakken! En ik zal jullie kruisigen aan de stammen van de dadelpalmen! Jullie zullen zeker weten wie strenger en meer volhoudend is in het straffen."

قَالُوۡا لَنۡ نُّؤۡثِرَکَ عَلٰی مَا جَآءَنَا مِنَ الۡبَیِّنٰتِ وَ الَّذِیۡ فَطَرَنَا فَاقۡضِ مَاۤ اَنۡتَ قَاضٍ ؕ اِنَّمَا تَقۡضِیۡ ہٰذِہِ الۡحَیٰوۃَ الدُّنۡیَا ﴿ؕ۷۲﴾
020.072 Qaloo lan nu/thiraka AAala ma jaana mina albayyinati waallathee fatarana faiqdi ma anta qadin innama taqdee hathihi alhayata alddunya
20:72 Ze zeiden: "Nooit zullen wij voor jou kiezen boven de duidelijke tekenen die tot ons is gekomen en boven Degene Die ons geschapen heeft! Dus doe maar wat je wilt. Jij kan alleen bepalen met betrekking tot het wereldse leven."

اِنَّـاۤ اٰمَنَّا بِرَبِّنَا لِیَغۡفِرَ لَنَا خَطٰیٰنَا وَ مَاۤ اَکۡرَہۡتَنَا عَلَیۡہِ مِنَ السِّحۡرِ ؕ وَ اللّٰہُ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۷۳﴾
020.073 Inna amanna birabbina liyaghfira lana khatayana wama akrahtana AAalayhi mina alssihri waAllahu khayrun waabqa
20:73 "Voorzeker, wij geloven in onze Heer, hopend dat Hij onze zonden vergeeft en de magie vergeeft die jij ons gedwongen hebt te doen. En Allah is de beste en de eeuwig blijvende."

اِنَّہٗ مَنۡ یَّاۡتِ رَبَّہٗ مُجۡرِمًا فَاِنَّ لَہٗ جَہَنَّمَ ؕ لَا یَمُوۡتُ فِیۡہَا وَ لَا یَحۡیٰی ﴿۷۴﴾
020.074 Innahu man ya/ti rabbahu mujriman fa-inna lahu jahannama la yamootu feeha wala yahya
20:74 "Voorzeker, degene die naar zijn Heer als een misdadiger komt, de hel zal voor hem zijn. Hij zal er niet in dood gaan, noch zal hij erin kunnen leven."

وَ مَنۡ یَّاۡتِہٖ مُؤۡمِنًا قَدۡ عَمِلَ الصّٰلِحٰتِ فَاُولٰٓئِکَ لَہُمُ الدَّرَجٰتُ الۡعُلٰی ﴿ۙ۷۵﴾
020.075 Waman ya/tihi mu/minan qad AAamila alssalihati faola-ika lahumu alddarajatu alAAula
20:75 "Maar wie als een gelovige naar Hem toekomt en goede daden heeft verricht, dan waarlijk voor hen zijn er hoge rangen,"

جَنّٰتُ عَدۡنٍ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہَا الۡاَنۡہٰرُ خٰلِدِیۡنَ فِیۡہَا ؕ وَ ذٰلِکَ جَزٰٓؤُا مَنۡ تَزَکّٰی ﴿٪۷۶﴾
020.076 Jannatu AAadnin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha wathalika jazao man tazakka
20:76 "(En) tuinen van Eden waaronder rivieren stromen, eeuwig vertoevend erin. Dat is de beloning voor degene die zichzelf reinigt."

وَ لَقَدۡ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی ۬ۙ اَنۡ اَسۡرِ بِعِبَادِیۡ فَاضۡرِبۡ لَہُمۡ طَرِیۡقًا فِی الۡبَحۡرِ یَبَسًا ۙ لَّا تَخٰفُ دَرَکًا وَّ لَا تَخۡشٰی ﴿۷۷﴾
020.077 Walaqad awhayna ila moosa an asri biAAibadee faidrib lahum tareeqan fee albahri yabasan la takhafu darakan wala takhsha
20:77 En waarlijk, Wij inspireerden aan Moesa: "Reis in de nacht met Mijn slaven en sla (met je staf) een droge weg door de zee voor hen. Wees niet bang om overmeesterd te worden en wees niet angstig."

فَاَتۡبَعَہُمۡ فِرۡعَوۡنُ بِجُنُوۡدِہٖ فَغَشِیَہُمۡ مِّنَ الۡیَمِّ مَا غَشِیَہُمۡ ﴿ؕ۷۸﴾
020.078 FaatbaAAahum firAAawnu bijunoodihi faghashiyahum mina alyammi ma ghashiyahum
20:78 Vervolgens achtervolgde Farao hen met zijn leger. Echter het zeewater sloot hen volledig in.

وَ اَضَلَّ فِرۡعَوۡنُ قَوۡمَہٗ وَ مَا ہَدٰی ﴿۷۹﴾
020.079 Waadalla firAAawnu qawmahu wama hada
20:79 En Farao liet zijn volk dwalen en leidde hen niet.

یٰبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ قَدۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ عَدُوِّکُمۡ وَ وٰعَدۡنٰکُمۡ جَانِبَ الطُّوۡرِ الۡاَیۡمَنَ وَ نَزَّلۡنَا عَلَیۡکُمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ﴿۸۰﴾
020.080 Ya banee isra-eela qad anjaynakum min AAaduwwikum wawaAAadnakum janiba alttoori al-aymana wanazzalna AAalaykumu almanna waalssalwa
20:80 O Kinderen van Israël! Waarlijk, Wij verlosten jullie van jullie vijand. En aan de rechterkant van de berg Thoer sloten Wij een verbond met jullie. En Wij deden Manna en Kwartels voor jullie neerdalen.

کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ وَ لَا تَطۡغَوۡا فِیۡہِ فَیَحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبِیۡ ۚ وَ مَنۡ یَّحۡلِلۡ عَلَیۡہِ غَضَبِیۡ فَقَدۡ ہَوٰی ﴿۸۱﴾
020.081 Kuloo min tayyibati ma razaqnakum wala tatghaw feehi fayahilla AAalaykum ghadabee waman yahlil AAalayhi ghadabee faqad hawa
20:81 Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie voorzien van hebben. En wees niet buitensporig daarin, anders zal Mijn toorn op jullie treffen. En wie getroffen wordt door Mijn toorn, voorzeker, is vernietigd.

وَ اِنِّیۡ لَغَفَّارٌ لِّمَنۡ تَابَ وَ اٰمَنَ وَ عَمِلَ صَالِحًا ثُمَّ اہۡتَدٰی ﴿۸۲﴾
020.082 Wa-innee laghaffarun liman taba waamana waAAamila salihan thumma ihtada
20:82 Echter, Ik ben de meest Vergevensgezinde voor degene die berouw heeft, gelooft, goede daden verricht en dan op de rechte pad blijftlopen.

وَ مَاۤ اَعۡجَلَکَ عَنۡ قَوۡمِکَ یٰمُوۡسٰی ﴿۸۳﴾
020.083 Wama aAAjalaka AAan qawmika ya moosa
20:83 (Allah zei:) "En waarom ging jij zo snel weg van jouw volk, O Mozes?"

قَالَ ہُمۡ اُولَآءِ عَلٰۤی اَثَرِیۡ وَ عَجِلۡتُ اِلَیۡکَ رَبِّ لِتَرۡضٰی ﴿۸۴﴾
020.084 Qala hum ola-i AAala atharee waAAajiltu ilayka rabbi litarda
20:84 Hij zei: "Ze komen achter me aan. Ik heb me gehaast naar U, zodat U tevreden zult zijn (op mij)."

قَالَ فَاِنَّا قَدۡ فَتَنَّا قَوۡمَکَ مِنۡۢ بَعۡدِکَ وَ اَضَلَّہُمُ السَّامِرِیُّ ﴿۸۵﴾
020.085 Qala fa-inna qad fatanna qawmaka min baAAdika waadallahumu alssamiriyyu
20:85 Hij (Allah) zei: "Waarlijk, Wij hebben jouw volk op de proef gesteld nadat je wegging. En de Samiri heeft hen doen dwalen."

فَرَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۬ۚ قَالَ یٰقَوۡمِ اَلَمۡ یَعِدۡکُمۡ رَبُّکُمۡ وَعۡدًا حَسَنًا ۬ؕ اَفَطَالَ عَلَیۡکُمُ الۡعَہۡدُ اَمۡ اَرَدۡتُّمۡ اَنۡ یَّحِلَّ عَلَیۡکُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَخۡلَفۡتُمۡ مَّوۡعِدِیۡ ﴿۸۶﴾
020.086 FarajaAAa moosa ila qawmihi ghadbana asifan qala ya qawmi alam yaAAidkum rabbukum waAAdan hasanan afatala AAalaykumu alAAahdu am aradtum an yahilla AAalaykum ghadabun min rabbikum faakhlaftum mawAAidee
20:86 Vervolgens, keerde Moesa terug naar zijn volk, woedend en teleurgesteld/bedroeft. Hij zei: O mijn volk! Heeft jullie Heer jullie geen goede belofte (het paradijs) gedaan?! Duurt het voor jullie te lang voordat de belofte vervuld wordt?! Of verlangen jullie dat de woede van jullie Heer jullie zal treffen?! Dus hebben jullie daarom mijn instructies verworpen?!

قَالُوۡا مَاۤ اَخۡلَفۡنَا مَوۡعِدَکَ بِمَلۡکِنَا وَ لٰکِنَّا حُمِّلۡنَاۤ اَوۡزَارًا مِّنۡ زِیۡنَۃِ الۡقَوۡمِ فَقَذَفۡنٰہَا فَکَذٰلِکَ اَلۡقَی السَّامِرِیُّ ﴿ۙ۸۷﴾
020.087 Qaloo ma akhlafna mawAAidaka bimalkina walakinna hummilna awzaran min zeenati alqawmi faqathafnaha fakathalika alqa alssamiriyyu
20:87 Ze zeiden: "Wij hebben de belofte met jou niet zomaar verbroken. We waren namelijk belast met de sieraden van de mensen, dus gooiden we ze (in het vuur) net zoals de Samiri dat deed." (Notitie: De sieraden waren van de Egyptenaren die in bruikleen waren gegeven aan de Israëliërs. Gezien het gestolen sieraden waren van de Egyptenaren, moesten ze eerst de sieraden weg doen voordat ze Allah konden ontmoeten. Moesa was hiervan niet op de hoogte.)

فَاَخۡرَجَ لَہُمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ فَقَالُوۡا ہٰذَاۤ اِلٰـہُکُمۡ وَ اِلٰہُ مُوۡسٰی ۬ فَنَسِیَ ﴿ؕ۸۸﴾
020.088 Faakhraja lahum AAijlan jasadan lahu khuwarun faqaloo hatha ilahukum wa-ilahu moosa fanasiya
20:88 Vervolgens maakte hij voor ons een kalfsbeeld (ervan). Het maakte een loeiend geluid. En ze (de mensen die het aanbaden) zeiden: "Dit is jullie god en de god van Moesa, echter hij is het (zelf) vergeten."

اَفَلَا یَرَوۡنَ اَلَّا یَرۡجِعُ اِلَیۡہِمۡ قَوۡلًا ۬ۙ وَّ لَا یَمۡلِکُ لَہُمۡ ضَرًّا وَّ لَا نَفۡعًا ﴿٪۸۹﴾
020.089 Afala yarawna alla yarjiAAu ilayhim qawlan wala yamliku lahum darran wala nafAAan
20:89 Zagen ze dan niet dat het niet tegen hen terug kon praten? En dat het geen nadeel, noch enig voordeel voor hen had?

وَ لَقَدۡ قَالَ لَہُمۡ ہٰرُوۡنُ مِنۡ قَبۡلُ یٰقَوۡمِ اِنَّمَا فُتِنۡتُمۡ بِہٖ ۚ وَ اِنَّ رَبَّکُمُ الرَّحۡمٰنُ فَاتَّبِعُوۡنِیۡ وَ اَطِیۡعُوۡۤا اَمۡرِیۡ ﴿۹۰﴾
020.090 Walaqad qala lahum haroonu min qablu ya qawmi innama futintum bihi wa-inna rabbakumu alrrahmanu faittabiAAoonee waateeAAoo amree
20:90 En waarlijk, Haroen had eerder tegen hen gezegd: "O mijn volk! Jullie worden alleen op de proef gesteld ermee. Voorzeker, jullie Heer is de meest Barmhartige. Dus volg mij en gehoorzaam mijn bevelen!"

قَالُوۡا لَنۡ نَّبۡرَحَ عَلَیۡہِ عٰکِفِیۡنَ حَتّٰی یَرۡجِعَ اِلَیۡنَا مُوۡسٰی ﴿۹۱﴾
020.091 Qaloo lan nabraha AAalayhi AAakifeena hatta yarjiAAa ilayna moosa
20:91 Ze zeiden: "Nooit zullen wij stoppen met het aanbidden ervan totdat Moesa (weer) naar ons terugkeert."

قَالَ یٰہٰرُوۡنُ مَا مَنَعَکَ اِذۡ رَاَیۡتَہُمۡ ضَلُّوۡۤا ﴿ۙ۹۲﴾
020.092 Qala ya haroonu ma manaAAaka ith raaytahum dalloo
20:92 Hij (Moesa) zei: "O Haroen! Wat hield jou tegen toen jij hen zag dwalen,

اَلَّا تَتَّبِعَنِ ؕ اَفَعَصَیۡتَ اَمۡرِیۡ ﴿۹۳﴾
020.093 Alla tattabiAAani afaAAasayta amree
20:93 om mijn bevel niet op te volgen? Heb jij dus mijn bevel geweigerd?!

قَالَ یَبۡنَؤُمَّ لَا تَاۡخُذۡ بِلِحۡیَتِیۡ وَ لَا بِرَاۡسِیۡ ۚ اِنِّیۡ خَشِیۡتُ اَنۡ تَقُوۡلَ فَرَّقۡتَ بَیۡنَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ وَ لَمۡ تَرۡقُبۡ قَوۡلِیۡ ﴿۹۴﴾
020.094 Qala yabnaomma la ta/khuth bilihyatee wala bira/see innee khasheetu an taqoola farraqta bayna banee isra-eela walam tarqub qawlee
20:94 Hij (Haroen) zei: "Zoon van mijn moeder! Grijp mij niet bij mijn baard of bij mijn hoofd! Voorzeker, ik vreesde dat jij zou zeggen dat ik de verdeeldheid zou hebben veroorzaakt tussen de kinderen van Israël en dat ik jouw woord niet heb gerespecteerd."

قَالَ فَمَا خَطۡبُکَ یٰسَامِرِیُّ ﴿۹۵﴾
020.095 Qala fama khatbuka ya samiriyyu
20:95 Hij (Moesa) zei: "Wat is jouw verhaal dan, O Samiri?"

قَالَ بَصُرۡتُ بِمَا لَمۡ یَبۡصُرُوۡا بِہٖ فَقَبَضۡتُ قَبۡضَۃً مِّنۡ اَثَرِ الرَّسُوۡلِ فَنَبَذۡتُہَا وَ کَذٰلِکَ سَوَّلَتۡ لِیۡ نَفۡسِیۡ ﴿۹۶﴾
020.096 Qala basurtu bima lam yabsuroo bihi faqabadtu qabdatan min athari alrrasooli fanabathtuha wakathalika sawwalat lee nafsee
20:96 Hij (Samiri) zei: "Ik zag iets wat zij niet zagen. Dus nam ik een handvol (van stof) uit de spoor die nagelaten was door de boodschapper (Gabriël/Jibriel). Vervolgens, gooide ik het (over de kalf). Mijn eigen ik (ego) vertelde mij dat (om het te doen)."

قَالَ فَاذۡہَبۡ فَاِنَّ لَکَ فِی الۡحَیٰوۃِ اَنۡ تَقُوۡلَ لَا مِسَاسَ ۪ وَ اِنَّ لَکَ مَوۡعِدًا لَّنۡ تُخۡلَفَہٗ ۚ وَ انۡظُرۡ اِلٰۤی اِلٰـہِکَ الَّذِیۡ ظَلۡتَ عَلَیۡہِ عَاکِفًا ؕ لَنُحَرِّقَنَّہٗ ثُمَّ لَنَنۡسِفَنَّہٗ فِی الۡیَمِّ نَسۡفًا ﴿۹۷﴾
020.097 Qala faithhab fa-inna laka fee alhayati an taqoola la misasa wa-inna laka mawAAidan lan tukhlafahu waonthur ila ilahika allathee thalta AAalayhi AAakifan lanuharriqannahu thumma lanansifannahu fee alyammi nasfan
20:97 Hij (Moesa) zei: "Ga dan weg! Voorzeker, voor jou is er in het leven dat je zult zeggen raak (me) niet aan! En voorzeker, voor jou is er een afspraak waaraan je niet kan ontkomen. En kijk naar jouw afgod waaraan jij trouw bent gebleven. Zonder enige twijfel Wij zullen het verbranden en de as in de zee gooien!" (Notitie: Moesa heeft zijn mensen die schuldig waren aan de afgoderij, op gedragen om zich zelf te doden, zie 2:54. Het feit dat Musa geen straf op de Samiri op legt en hem dus met rust laat, maar wel dreigt met zijn toekomstige afspraak en zijn afgod vernietigd, zegt dat er iets speciaal met de Samiri is. Ook het feit dat de Samiri dingen ziet die anderen niet zien, geven aan dat hij een speciaal persoon is. Er zijn bepaalde theorieën op basis van overleveringen en de bovengenoemde verzen, die aanduiden dat de Samiri eigenlijk Dajjal is. De Samiri was geboren in het land Summeria, waarschijnlijk kreeg hij daarom de titel "de Samiri". Zijn moeder overleed en werd als baby aan zijn lot overgelaten. Allah gebood de engel Jibriel, die ook bekend staat als de boodschapper en de engel die leven brengt, om hem op te voedden. Echter leiding komt van Allah. Net zoals de Satan, heeft de Samiri gekozen voor afgoderij. Allah heeft hem de kracht en de middelen gegeven en hem als een beproeving gemaakt voor de mensheid. Net zoals hij de kinderen van Israël misleid heeft, zal hij de gehele mensheid misleiden. Vervolgens zal er een tijd komen waarbij hij door Isa (Jezus), die ook nog leeft, gedood.

اِنَّمَاۤ اِلٰـہُکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ ؕ وَسِعَ کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ﴿۹۸﴾
020.098 Innama ilahukumu Allahu allathee la ilaha illa huwa wasiAAa kulla shay-in AAilman
20:98 Voorzeker, jullie deïteit/godheid is alleen Allah, er is geen deïteit/godheid dan Hij. Hij omvat alles op basis van kennis.

کَذٰلِکَ نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآءِ مَا قَدۡ سَبَقَ ۚ وَ قَدۡ اٰتَیۡنٰکَ مِنۡ لَّدُنَّا ذِکۡرًا ﴿ۖۚ۹۹﴾
020.099 Kathalika naqussu AAalayka min anba-i ma qad sabaqa waqad ataynaka min ladunna thikran
20:99 Dus geven Wij jou (O Mohammed v.z.m.h.) enige informatie met betrekking tot wat er eerder is gebeurd. Voorzeker Wij hebben jou een herinnering gegeven.

مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡہُ فَاِنَّہٗ یَحۡمِلُ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ وِزۡرًا ﴿۱۰۰﴾ۙ
020.100 Man aAArada AAanhu fa-innahu yahmilu yawma alqiyamati wizran
20:100 Hij, die zich ervan afwendt, dan voorzeker, hij zal een last dragen op de dag van de wederopstanding.

خٰلِدِیۡنَ فِیۡہِ ؕ وَ سَآءَ لَہُمۡ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ حِمۡلًا ﴿۱۰۱﴾ۙ
020.101 Khalideena feehi wasaa lahum yawma alqiyamati himlan
20:101 Ze zullen er eeuwig in vertoeven. En zeer ellendig is de last voor hun op de dag van de wederopstanding!

یَّوۡمَ یُنۡفَخُ فِی الصُّوۡرِ وَ نَحۡشُرُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ یَوۡمَئِذٍ زُرۡقًا ﴿۱۰۲﴾ۚۖ
020.102 Yawma yunfakhu fee alssoori wanahshuru almujrimeena yawma-ithin zurqan
20:102 Op de dag (des oordeel) zal er geblazen worden in de trompet. En Wij zullen de misdadigers verzamelen, met blauwe ogen van blindheid.

یَّتَخَافَتُوۡنَ بَیۡنَہُمۡ اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا عَشۡرًا ﴿۱۰۳﴾
020.103 Yatakhafatoona baynahum in labithtum illa AAashran
20:103 Ze zullen fluisteren onder elkaar: "Jullie hebben alleen er maar tien (dagen op) verbleven."

نَحۡنُ اَعۡلَمُ بِمَا یَقُوۡلُوۡنَ اِذۡ یَقُوۡلُ اَمۡثَلُہُمۡ طَرِیۡقَۃً اِنۡ لَّبِثۡتُمۡ اِلَّا یَوۡمًا ﴿۱۰۴﴾٪
020.104 Nahnu aAAlamu bima yaqooloona ith yaqoolu amthaluhum tareeqatan in labithtum illa yawman
20:104 Wij weten heel goed wat ze zullen zeggen, wanneer de beste onder hen met kennis en wijsheid zal zeggen: "Jullie hebben er alleen maar één dag (op) verbleven."

وَ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ الۡجِبَالِ فَقُلۡ یَنۡسِفُہَا رَبِّیۡ نَسۡفًا ﴿۱۰۵﴾ۙ
020.105 Wayas-aloonaka AAani aljibali faqul yansifuha rabbee nasfan
20:105 En ze vragen jou over de bergen. Zeg dan: "Mijn Heer zal ze doen vernietigen tot stof."

فَیَذَرُہَا قَاعًا صَفۡصَفًا ﴿۱۰۶﴾ۙ
020.106 Fayatharuha qaAAan safsafan
20:106 "Vervolgens laat Hij het als een geëgaliseerde vlakte achter,"

لَّا تَرٰی فِیۡہَا عِوَجًا وَّ لَاۤ اَمۡتًا ﴿۱۰۷﴾ؕ
020.107 La tara feeha AAiwajan wala amtan
20:107 "waarop je geen enkel bochten of hobbels zult zien."

یَوۡمَئِذٍ یَّتَّبِعُوۡنَ الدَّاعِیَ لَا عِوَجَ لَہٗ ۚ وَ خَشَعَتِ الۡاَصۡوَاتُ لِلرَّحۡمٰنِ فَلَا تَسۡمَعُ اِلَّا ہَمۡسًا ﴿۱۰۸﴾
020.108 Yawma-ithin yattabiAAoona alddaAAiya la AAiwaja lahu wakhashaAAati al-aswatu lilrrahmani fala tasmaAAu illa hamsan
20:108 Op die dag zullen ze de oproeper volgen, er is geen afwijking ervan mogelijk. De stemmen zullen nederig worden voor de meest Barmhartige. Je zult niets anders horen dan een fluisterend geluid.

یَوۡمَئِذٍ لَّا تَنۡفَعُ الشَّفَاعَۃُ اِلَّا مَنۡ اَذِنَ لَہُ الرَّحۡمٰنُ وَ رَضِیَ لَہٗ قَوۡلًا ﴿۱۰۹﴾
020.109 Yawma-ithin la tanfaAAu alshshafaAAatu illa man athina lahu alrrahmanu waradiya lahu qawlan
20:109 Op die dag zal bemiddeling geen nut hebben behalve voor degene aan wie de Barmhartige toestemming geeft en voor degene waarvan de bemiddeling Hem behaagt.

یَعۡلَمُ مَا بَیۡنَ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مَا خَلۡفَہُمۡ وَ لَا یُحِیۡطُوۡنَ بِہٖ عِلۡمًا ﴿۱۱۰﴾
020.110 YaAAlamu ma bayna aydeehim wama khalfahum wala yuheetoona bihi AAilman
20:110 Hij weet wat voor hen is en wat achter hen is terwijl ze niets kunnen omvatten van Zijn Kennis.

وَ عَنَتِ الۡوُجُوۡہُ لِلۡحَیِّ الۡقَیُّوۡمِ ؕ وَ قَدۡ خَابَ مَنۡ حَمَلَ ظُلۡمًا ﴿۱۱۱﴾
020.111 WaAAanati alwujoohu lilhayyi alqayyoomi waqad khaba man hamala thulman
20:111 En de gezichten zullen nederig worden voor "Al-Hay"(de Eeuwiglevende, Die geen begin en een einde heeft), "Al-Qayoom" (de Onderhourder, Voorziener, Degenen die de leiding heeft over alles). Waarlijk, degenen die slechtheid dragen zullen verliezen. (Notitie: Al-Qayoom betekent Degene die de leiding neemt over alles en datgeen wat bestaat onderhoudt, ondersteunt en beschermt. Hij is het die de levens van de schepping ondersteunt en alle omstandigheden van het universum beheert. Hij overziet alles: zorgt ervoor, bewaart het, waakt erover, beheert het op de manier en voor het doel dat Hij wil.)

وَ مَنۡ یَّعۡمَلۡ مِنَ الصّٰلِحٰتِ وَ ہُوَ مُؤۡمِنٌ فَلَا یَخٰفُ ظُلۡمًا وَّ لَا ہَضۡمًا ﴿۱۱۲﴾
020.112 Waman yaAAmal mina alssalihati wahuwa mu/minun fala yakhafu thulman wala hadman
20:112 En hij die goede daden verricht en gelovig is, zal niet bang zijn voor onrecht, noch voor enige beperking (van zijn beloning).

وَ کَذٰلِکَ اَنۡزَلۡنٰہُ قُرۡاٰنًا عَرَبِیًّا وَّ صَرَّفۡنَا فِیۡہِ مِنَ الۡوَعِیۡدِ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ اَوۡ یُحۡدِثُ لَہُمۡ ذِکۡرًا ﴿۱۱۳﴾
020.113 Wakathalika anzalnahu qur-anan AAarabiyyan wasarrafna feehi mina alwaAAeedi laAAallahum yattaqoona aw yuhdithu lahum thikran
20:113 En dus hebben Wij het neergezonden, de Koran in het Arabisch. Wij hebben de waarschuwingen erin uitgelegd, zodat ze kunnen vrezen of zodat het hen laat nadenken.

فَتَعٰلَی اللّٰہُ الۡمَلِکُ الۡحَقُّ ۚ وَ لَا تَعۡجَلۡ بِالۡقُرۡاٰنِ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ یُّقۡضٰۤی اِلَیۡکَ وَحۡیُہٗ ۫ وَ قُلۡ رَّبِّ زِدۡنِیۡ عِلۡمًا ﴿۱۱۴﴾
020.114 FataAAala Allahu almaliku alhaqqu wala taAAjal bialqur-ani min qabli an yuqda ilayka wahyuhu waqul rabbi zidnee AAilman
20:114 En Verheven is Allah, de ware Koning. En haast je niet met de Koran, voordat zijn openbaring aan jou (in zijn geheel) voltooid is. En zeg: "Mijn Heer! Doe mij toenemen in kennis." (Notitie: Deze vers gaat over de compleetheid over de Koran. De versnummer is 114 en de Koran heeft ook 114 Surahs, zie ook 6:114).

وَ لَقَدۡ عَہِدۡنَاۤ اِلٰۤی اٰدَمَ مِنۡ قَبۡلُ فَنَسِیَ وَ لَمۡ نَجِدۡ لَہٗ عَزۡمًا ﴿۱۱۵﴾٪
020.115 Walaqad AAahidna ila adama min qablu fanasiya walam najid lahu AAazman
20:115 En waarlijk, Wij hadden in het verleden een verbond met Adam gesloten, echter hij was het vergeten. We vonden geen standvastigheid in hem.

وَ اِذۡ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ اَبٰی ﴿۱۱۶﴾
020.116 Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa aba
20:116 En (gedenk) toen Wij tot de Engelen Zeiden: "Prostreer voor Adam!" Toen prostreerden ze, behalve Iblies. Hij weigerde.

فَقُلۡنَا یٰۤـاٰدَمُ اِنَّ ہٰذَا عَدُوٌّ لَّکَ وَ لِزَوۡجِکَ فَلَا یُخۡرِجَنَّکُمَا مِنَ الۡجَنَّۃِ فَتَشۡقٰی ﴿۱۱۷﴾
020.117 Faqulna ya adamu inna hatha AAaduwwun laka walizawjika fala yukhrijannakuma mina aljannati fatashqa
20:117 Vervolgens zeiden Wij: "O Adam! Voorzeker, deze is een vijand voor jou en voor jouw vrouw. Dus laat hem jullie niet uit de tuin doen verdrijven, anders zal je lijden."

اِنَّ لَکَ اَلَّا تَجُوۡعَ فِیۡہَا وَ لَا تَعۡرٰی ﴿۱۱۸﴾ۙ
020.118 Inna laka alla tajooAAa feeha wala taAAra
20:118 "Voorzeker, je zal daar geen honger hebben, noch zal je er naakt zijn."

وَ اَنَّکَ لَا تَظۡمَؤُا فِیۡہَا وَ لَا تَضۡحٰی ﴿۱۱۹﴾
020.119 Waannaka la tathmao feeha wala tadha
20:119 "Noch zal je er dorst hebben en noch zal je het heet hebben door de hitte van de zon."

فَوَسۡوَسَ اِلَیۡہِ الشَّیۡطٰنُ قَالَ یٰۤـاٰدَمُ ہَلۡ اَدُلُّکَ عَلٰی شَجَرَۃِ الۡخُلۡدِ وَ مُلۡکٍ لَّا یَبۡلٰی ﴿۱۲۰﴾
020.120 Fawaswasa ilayhi alshshaytanu qala ya adamu hal adulluka AAala shajarati alkhuldi wamulkin la yabla
20:120 Vervolgens fluisterde de Satan hem in, hij zei: "O Adam! zal ik jou leiden naar de boom van eeuwig leven en een koninkrijk dat niet zal vergaan?"

فَاَکَلَا مِنۡہَا فَبَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ۫ وَ عَصٰۤی اٰدَمُ رَبَّہٗ فَغَوٰی ﴿۱۲۱﴾۪ۖ
020.121 Faakala minha fabadat lahuma saw-atuhuma watafiqa yakhsifani AAalayhima min waraqi aljannati waAAasa adamu rabbahu faghawa
20:121 Toen aten ze beide ervan. Dus werd hun schaamte zichtbaar en ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. Dus Adam was zijn Heer ongehoorzaam en werd dus dwalend.

ثُمَّ اجۡتَبٰہُ رَبُّہٗ فَتَابَ عَلَیۡہِ وَ ہَدٰی ﴿۱۲۲﴾
020.122 Thumma ijtabahu rabbuhu fataba AAalayhi wahada
20:122 Daarna verkoos zijn Heer hem en wendde Hij naar hem en leidde hem. (Notitie: zie ook 2:37 en 7:23)

قَالَ اہۡبِطَا مِنۡہَا جَمِیۡعًۢا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ فَاِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ مِّنِّیۡ ہُدًی ۬ۙ فَمَنِ اتَّبَعَ ہُدَایَ فَلَا یَضِلُّ وَ لَا یَشۡقٰی ﴿۱۲۳﴾
020.123 Qala ihbita minha jameeAAan baAAdukum libaAAdin AAaduwwun fa-imma ya/tiyannakum minnee hudan famani ittabaAAa hudaya fala yadillu wala yashqa
20:123 Hij (Allah) zei: "Daal allen eruit af! Sommige van jullie zullen vijanden zijn voor anderen. Wanneer de leiding van Mij tot jullie komt, dan zal wie Mijn leiding volgt niet afdwalen en noch lijden." (Notitie: zie ook 2:36, 7:24-25.)

وَ مَنۡ اَعۡرَضَ عَنۡ ذِکۡرِیۡ فَاِنَّ لَہٗ مَعِیۡشَۃً ضَنۡکًا وَّ نَحۡشُرُہٗ یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اَعۡمٰی ﴿۱۲۴﴾
020.124 Waman aAArada AAan thikree fa-inna lahu maAAeeshatan dankan wanahshuruhu yawma alqiyamati aAAman
20:124 En wie zich afwendt van het gedenken van Mij, dan voorzeker voor hem is er een moeilijke leven. Op de dag van de wederopstanding, zullen Wij hem in een blinde toestand verzamelen.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرۡتَنِیۡۤ اَعۡمٰی وَ قَدۡ کُنۡتُ بَصِیۡرًا ﴿۱۲۵﴾
020.125 Qala rabbi lima hashartanee aAAma waqad kuntu baseeran
20:125 Hij zal zeggen: "Mijn Heer! U heeft me blind opgewekt, terwijl ik kon zien."

قَالَ کَذٰلِکَ اَتَتۡکَ اٰیٰتُنَا فَنَسِیۡتَہَا ۚ وَکَذٰلِکَ الۡیَوۡمَ تُنۡسٰی ﴿۱۲۶﴾
020.126 Qala kathalika atatka ayatuna fanaseetaha wakathalika alyawma tunsa
20:126 Hij (Allah) zal zeggen: "Op dezelfde wijze, hoe jij Onze tekenen vergat die tot jou gekomen waren, zal jij vandaag dus vergeten worden."

وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِیۡ مَنۡ اَسۡرَفَ وَ لَمۡ یُؤۡمِنۡۢ بِاٰیٰتِ رَبِّہٖ ؕ وَ لَعَذَابُ الۡاٰخِرَۃِ اَشَدُّ وَ اَبۡقٰی ﴿۱۲۷﴾
020.127 Wakathalika najzee man asrafa walam yu/min bi-ayati rabbihi walaAAathabu al-akhirati ashaddu waabqa
20:127 En zo vergelden Wij, hij die overtreedt en niet in de tekenen van zijn Heer gelooft. En waarlijk de straf in het hiernamaals is vele malen pijnlijker en meer langdurig van aard.

اَفَلَمۡ یَہۡدِ لَہُمۡ کَمۡ اَہۡلَکۡنَا قَبۡلَہُمۡ مِّنَ الۡقُرُوۡنِ یَمۡشُوۡنَ فِیۡ مَسٰکِنِہِمۡ ؕ اِنَّ فِیۡ ذٰلِکَ لَاٰیٰتٍ لِّاُولِی النُّہٰی ﴿۱۲۸﴾٪
020.128 Afalam yahdi lahum kam ahlakna qablahum mina alqurooni yamshoona fee masakinihim inna fee thalika laayatin li-olee alnnuha
20:128 Zijn de hoeveelheden van de oude generaties die We hebben vernietigd en waarvan ze (nu) door hun woningen wandelen, dan geen leidraad voor hen? Voorzeker, daarin zijn zeker tekenen voor de mensen met verstand.

وَ لَوۡ لَا کَلِمَۃٌ سَبَقَتۡ مِنۡ رَّبِّکَ لَکَانَ لِزَامًا وَّ اَجَلٌ مُّسَمًّی ﴿۱۲۹﴾ؕ
020.129 Walawla kalimatun sabaqat min rabbika lakana lizaman waajalun musamman
20:129 En als het woord (de dag des oordeels) door jou Heer niet was vastgesteld, dan zou het (de straf) voor hen (direct) bepaald zijn.

فَاصۡبِرۡ عَلٰی مَا یَقُوۡلُوۡنَ وَ سَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّکَ قَبۡلَ طُلُوۡعِ الشَّمۡسِ وَ قَبۡلَ غُرُوۡبِہَا ۚ وَ مِنۡ اٰنَآیِٔ الَّیۡلِ فَسَبِّحۡ وَ اَطۡرَافَ النَّہَارِ لَعَلَّکَ تَرۡضٰی ﴿۱۳۰﴾
020.130 Faisbir AAala ma yaqooloona wasabbih bihamdi rabbika qabla tulooAAi alshshamsi waqabla ghuroobiha wamin ana-i allayli fasabbih waatrafa alnnahari laAAallaka tarda
20:130 Wees dus geduldig over datgeen wat ze zeggen en verheerlijk jouw Heer met dank en eer, voor de zonsopgang (fajr) en voor de zonsondergang (asr), en gedurende de nacht, en gedurende het begin van de dag tot aan het einde dag (Zohr). Zodat jij tevreden kan zijn. (Notitie: zie ook 11:114 en 17:78. Over de trevenheid zie 19:55)

وَ لَا تَمُدَّنَّ عَیۡنَیۡکَ اِلٰی مَا مَتَّعۡنَا بِہٖۤ اَزۡوَاجًا مِّنۡہُمۡ زَہۡرَۃَ الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ۬ۙ لِنَفۡتِنَہُمۡ فِیۡہِ ؕ وَ رِزۡقُ رَبِّکَ خَیۡرٌ وَّ اَبۡقٰی ﴿۱۳۱﴾
020.131 Wala tamuddanna AAaynayka ila ma mattaAAna bihi azwajan minhum zahrata alhayati alddunya linaftinahum feehi warizqu rabbika khayrun waabqa
20:131 En kijk niet met uitpuilende ogen naar datgeen wat Wij hen als genieting van het wereldse leven hebben gegeven, om hen te beproeven. En voorziening van jouw Heer is beter en eeuwig durend. (Notitie: zie ook 93:5)

وَ اۡمُرۡ اَہۡلَکَ بِالصَّلٰوۃِ وَ اصۡطَبِرۡ عَلَیۡہَا ؕ لَا نَسۡـَٔلُکَ رِزۡقًا ؕ نَحۡنُ نَرۡزُقُکَ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلتَّقۡوٰی ﴿۱۳۲﴾
020.132 Wa/mur ahlaka bialssalati waistabir AAalayha la nas-aluka rizqan nahnu narzuquka waalAAaqibatu lilttaqwa
20:132 En beveel jouw familie de salaat te verrichten en standvastig er in te zijn. Wij vragen jou niet om (een) voorziening, het is Wij die jou (voorzieningen) verschaffen. Het goede einde is voor de godvrezende (Notitie: zie 2:2-5)

وَ قَالُوۡا لَوۡ لَا یَاۡتِیۡنَا بِاٰیَۃٍ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ اَوَ لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بَیِّنَۃُ مَا فِی الصُّحُفِ الۡاُوۡلٰی ﴿۱۳۳﴾
020.133 Waqaloo lawla ya/teena bi-ayatin min rabbihi awa lam ta/tihim bayyinatu ma fee alssuhufi al-oola
20:133 En ze (de ongelovigen) zeggen: "Waarom brengt hij geen teken van zijn Heer voor ons?" Hebben ze geen bewijs gekregen in de voorafgaande geschriften?

وَ لَوۡ اَنَّـاۤ اَہۡلَکۡنٰہُمۡ بِعَذَابٍ مِّنۡ قَبۡلِہٖ لَقَالُوۡا رَبَّنَا لَوۡ لَاۤ اَرۡسَلۡتَ اِلَیۡنَا رَسُوۡلًا فَنَتَّبِعَ اٰیٰتِکَ مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ نَّذِلَّ وَ نَخۡزٰی ﴿۱۳۴﴾
020.134 Walaw anna ahlaknahum biAAathabin min qablihi laqaloo rabbana lawla arsalta ilayna rasoolan fanattabiAAa ayatika min qabli an nathilla wanakhza
20:134 En als Wij hen hadden vernietigd door een straf nog voordat dit (de openbaring) had plaatsgevonden, dan zouden de zeker hebben gezegd: "Onze Heer! Waarom heeft U geen boodschapper naar ons gestuurd? Zodat wij U tekenen konden volgen, voordat wij vernederd en onteert waren."

قُلۡ کُلٌّ مُّتَرَبِّصٌ فَتَرَبَّصُوۡا ۚ فَسَتَعۡلَمُوۡنَ مَنۡ اَصۡحٰبُ الصِّرَاطِ السَّوِیِّ وَ مَنِ اہۡتَدٰی ﴿۱۳۵﴾٪
020.135 Qul kullun mutarabbisun fatarabbasoo fasataAAlamoona man as-habu alssirati alssawiyyi wamani ihtada
20:135 Zeg: "Iedereen wacht, dus wacht maar af. Jullie zullen dan weten wie het rechte pad bewandelt en wie geleid wordt."


www.heiligekoran.nl