56 Al-Waaqiah
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige
اِذَا وَقَعَتِ الۡوَاقِعَۃُ ۙ﴿۱﴾
056.001 Itha waqaAAati alwaqiAAatu
1. Als de Gebeurtenis plaats vindt

لَیۡسَ لِوَقۡعَتِہَا کَاذِبَۃٌ ۘ﴿۲﴾
056.002 Laysa liwaqAAatiha kathibatun
2. Zal er niets dit plaatsvinden kunnen tegenhouden -

خَافِضَۃٌ رَّافِعَۃٌ ۙ﴿۳﴾
056.003 Khafidatun rafiAAatun
3. Enigen zal het vernederen, anderen zal het verheffen.

اِذَا رُجَّتِ الۡاَرۡضُ رَجًّا ۙ﴿۴﴾
056.004 Itha rujjati al-ardu rajjan
4. Wanneer de aarde hevig zal worden geschokt,

وَّ بُسَّتِ الۡجِبَالُ بَسًّا ۙ﴿۵﴾
056.005 Wabussati aljibalu bassan
5. En de bergen verbrijzeld,

فَکَانَتۡ ہَبَآءً مُّنۡۢبَثًّا ۙ﴿۶﴾
056.006 Fakanat habaan munbaththan
6. Zullen deze als stof worden verstrooid,

وَّ کُنۡتُمۡ اَزۡوَاجًا ثَلٰثَۃً ؕ﴿۷﴾
056.007 Wakuntum azwajan thalathatan
7. En u zult in drie soorten worden verdeeld.

فَاَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَیۡمَنَۃِ ؕ﴿۸﴾
056.008 Faas-habu almaymanati ma as-habu almaymanati
8. De mensen aan de rechter kant - hoe (gelukkig zijn) de mensen aan de rechter kant!

وَ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡمَشۡـَٔمَۃِ ؕ﴿۹﴾
056.009 Waas-habu almash-amati ma as-habu almash-amati
9. En de mensen aan de linker kant - hoe (ongelukkig) zijn de mensen aan de linker kant!

وَ السّٰبِقُوۡنَ السّٰبِقُوۡنَ ﴿ۚۙ۱۰﴾
056.010 Waalssabiqoona alssabiqoona
10. De voorbijstrevenden (in het geloof) zullen de eersten zijn,

اُولٰٓئِکَ الۡمُقَرَّبُوۡنَ ﴿ۚ۱۱﴾
056.011 Ola-ika almuqarraboona
11. Dezen zijn de gunstelingen die God dicht zullen naderen.

فِیۡ جَنّٰتِ النَّعِیۡمِ ﴿۱۲﴾
056.012 Fee jannati alnnaAAeemi
12. In tuinen van verrukking.

ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۱۳﴾
056.013 Thullatun mina al-awwaleena
13. Het zijn een groot aantal van de eersten.

وَ قَلِیۡلٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۱۴﴾
056.014 Waqaleelun mina al-akhireena
14. En weinigen uit later tijd.

عَلٰی سُرُرٍ مَّوۡضُوۡنَۃٍ ﴿ۙ۱۵﴾
056.015 AAala sururin mawdoonatin
15. Op sofa's doorvlochten met goud en edelgesteenten

مُّتَّکِـِٕیۡنَ عَلَیۡہَا مُتَقٰبِلِیۡنَ ﴿۱۶﴾
056.016 Muttaki-eena AAalayha mutaqabileena
16. Daarop nederliggende, naar elkander toegewend!

یَطُوۡفُ عَلَیۡہِمۡ وِلۡدَانٌ مُّخَلَّدُوۡنَ ﴿ۙ۱۷﴾
056.017 Yatoofu AAalayhim wildanun mukhalladoona
17. Daar zullen jonge mannen onder hen rondgaan die niet zullen verouderen

بِاَکۡوَابٍ وَّ اَبَارِیۡقَ ۬ۙ وَ کَاۡسٍ مِّنۡ مَّعِیۡنٍ ﴿ۙ۱۸﴾
056.018 Bi-akwabin waabareeqa waka/sin min maAAeenin
18. Met bekers, kannen en kopjes gevuld uit een zilveren bron -

لَّا یُصَدَّعُوۡنَ عَنۡہَا وَ لَا یُنۡزِفُوۡنَ ﴿ۙ۱۹﴾
056.019 La yusaddaAAoona AAanha wala yunzifoona
19. Zij zullen daarvan geen hoofdpijn krijgen noch zullen zij dronken worden -

وَ فَاکِہَۃٍ مِّمَّا یَتَخَیَّرُوۡنَ ﴿ۙ۲۰﴾
056.020 Wafakihatin mimma yatakhayyaroona
20. En met fruit dat zij het liefst hebben -

وَ لَحۡمِ طَیۡرٍ مِّمَّا یَشۡتَہُوۡنَ ﴿ؕ۲۱﴾
056.021 Walahmi tayrin mimma yashtahoona
21. En met vlees van vogelen dat zij begeren.

وَ حُوۡرٌ عِیۡنٌ ﴿ۙ۲۲﴾
056.022 Wahoorun AAeenun
22. En er zullen schonen zijn met grote, mooie ogen,

کَاَمۡثَالِ اللُّؤۡلُؤَ الۡمَکۡنُوۡنِ ﴿ۚ۲۳﴾
056.023 Kaamthali allu/lui almaknooni
23. Als verscholen paarlen.

جَزَآءًۢ بِمَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۲۴﴾
056.024 Jazaan bima kanoo yaAAmaloona
24. Als beloning voor hetgeen zij plachten te doen.

لَا یَسۡمَعُوۡنَ فِیۡہَا لَغۡوًا وَّ لَا تَاۡثِیۡمًا ﴿ۙ۲۵﴾
056.025 La yasmaAAoona feeha laghwan wala ta/theeman
25. Zij zullen daar geen ijdele gesprekken of zondige taal horen,

اِلَّا قِیۡلًا سَلٰمًا سَلٰمًا ﴿۲۶﴾
056.026 Illa qeelan salaman salaman
26. Maar het woord "vrede, vrede."

وَ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۲۷﴾
056.027 Waas-habu alyameeni ma as-habu alyameeni
27. En zij die rechts zullen staan - hoe (gelukkig) zijn deze die rechts staan!

فِیۡ سِدۡرٍ مَّخۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۸﴾
056.028 Fee sidrin makhdoodin
28. Zij zullen zich bevinden tussen doornloze lotusbomen

وَّ طَلۡحٍ مَّنۡضُوۡدٍ ﴿ۙ۲۹﴾
056.029 Watalhin mandoodin
29. En trossen bananen,

وَّ ظِلٍّ مَّمۡدُوۡدٍ ﴿ۙ۳۰﴾
056.030 Wathillin mamdoodin
30. En dekkende schaduwen,

وَّ مَآءٍ مَّسۡکُوۡبٍ ﴿ۙ۳۱﴾
056.031 Wama-in maskoobin
31. En stromende wateren,

وَّ فَاکِہَۃٍ کَثِیۡرَۃٍ ﴿ۙ۳۲﴾
056.032 Wafakihatin katheeratin
32. En overvloedig fruit,

لَّا مَقۡطُوۡعَۃٍ وَّ لَا مَمۡنُوۡعَۃٍ ﴿ۙ۳۳﴾
056.033 La maqtooAAatin wala mamnooAAatin
33. Noch afgesneden, noch verboden,

وَّ فُرُشٍ مَّرۡفُوۡعَۃٍ ﴿ؕ۳۴﴾
056.034 Wafurushin marfooAAatin
34. En edele vrouwen.

اِنَّاۤ اَنۡشَاۡنٰہُنَّ اِنۡشَآءً ﴿ۙ۳۵﴾
056.035 Inna ansha/nahunna inshaan
35. Voorwaar, Wij hebben dezen tot een wonderligke schepping gemaakt,

فَجَعَلۡنٰہُنَّ اَبۡکَارًا ﴿ۙ۳۶﴾
056.036 FajaAAalnahunna abkaran
36. Wij maakten haar maagden,

عُرُبًا اَتۡرَابًا ﴿ۙ۳۷﴾
056.037 AAuruban atraban
37. Beminnelijk, van gelijke leeftijd.

لِّاَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ٪۳۸﴾
056.038 Li-as-habi alyameeni
38. Tot degenen aan de rechter kant.

ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاَوَّلِیۡنَ ﴿ۙ۳۹﴾
056.039 Thullatun mina al-awwaleena
39. (Behoort) een groot aantal van de eersten (gelovigen).

وَ ثُلَّۃٌ مِّنَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ؕ۴۰﴾
056.040 Wathullatun mina al-akhireena
40. En een groot aantal uit latere tijden.

وَ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ۬ۙ مَاۤ اَصۡحٰبُ الشِّمَالِ ﴿ؕ۴۱﴾
056.041 Waas-habu alshshimali ma as-habu alshshimali
41. De mensen aan de linker kant - hoe (ongelukkig) zijn degenen die aan de linker kant staan!

فِیۡ سَمُوۡمٍ وَّ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۴۲﴾
056.042 Fee samoomin wahameemin
42. Te midden van verschroeiende winden en kokend water.

وَّ ظِلٍّ مِّنۡ یَّحۡمُوۡمٍ ﴿ۙ۴۳﴾
056.043 Wathillin min yahmoomin
43. En in de schaduw van zwarte rook,

لَّا بَارِدٍ وَّ لَا کَرِیۡمٍ ﴿۴۴﴾
056.044 La baridin wala kareemin
44. Noch koel, noch verfrissend.

اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَبۡلَ ذٰلِکَ مُتۡرَفِیۡنَ ﴿ۚۖ۴۵﴾
056.045 Innahum kanoo qabla thalika mutrafeena
45. Voordien waren zij inderdaad in weelde (op aarde),

وَ کَانُوۡا یُصِرُّوۡنَ عَلَی الۡحِنۡثِ الۡعَظِیۡمِ ﴿ۚ۴۶﴾
056.046 Wakanoo yusirroona AAala alhinthi alAAatheemi
46. En volhardden in grote zonde.

وَ کَانُوۡا یَقُوۡلُوۡنَ ۬ۙ اَئِذَا مِتۡنَا وَ کُنَّا تُرَابًا وَّ عِظَامًا ءَاِنَّا لَمَبۡعُوۡثُوۡنَ ﴿ۙ۴۷﴾
056.047 Wakanoo yaqooloona a-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona
47. En zij plachten te zeggen: "Als wij dood zijn en stof en beenderen zijn geworden, zullen wij inderdaad herrijzen?

اَوَ اٰبَآؤُنَا الۡاَوَّلُوۡنَ ﴿۴۸﴾
056.048 Awa abaona al-awwaloona
48. En ook onze voorvaderen?"

قُلۡ اِنَّ الۡاَوَّلِیۡنَ وَ الۡاٰخِرِیۡنَ ﴿ۙ۴۹﴾
056.049 Qul inna al-awwaleena waal-akhireena
49. Zeg: "Ja, de vroegeren en de lateren

لَمَجۡمُوۡعُوۡنَ ۬ۙ اِلٰی مِیۡقَاتِ یَوۡمٍ مَّعۡلُوۡمٍ ﴿۵۰﴾
056.050 LamajmooAAoona ila meeqati yawmin maAAloomin
50. Zullen tezamen worden verzameld op de vastgestelde tijd van een bepaalde Dag."

ثُمَّ اِنَّکُمۡ اَیُّہَا الضَّآلُّوۡنَ الۡمُکَذِّبُوۡنَ ﴿ۙ۵۱﴾
056.051 Thumma innakum ayyuha alddalloona almukaththiboona
51. Dan, o u, die was verdwaald en heeft verloochend,

لَاٰکِلُوۡنَ مِنۡ شَجَرٍ مِّنۡ زَقُّوۡمٍ ﴿ۙ۵۲﴾
056.052 Laakiloona min shajarin min zaqqoomin
52. U zult. zeker van de boom van Zaqqoem eten,

فَمَالِـُٔوۡنَ مِنۡہَا الۡبُطُوۡنَ ﴿ۚ۵۳﴾
056.053 Famali-oona minha albutoona
53. En zult er uw buik mee vullen,

فَشٰرِبُوۡنَ عَلَیۡہِ مِنَ الۡحَمِیۡمِ ﴿ۚ۵۴﴾
056.054 Fashariboona AAalayhi mina alhameemi
54. En daarna kokend water drinken,

فَشٰرِبُوۡنَ شُرۡبَ الۡہِیۡمِ ﴿ؕ۵۵﴾
056.055 Fashariboona shurba alheemi
55. (Drinkende,) zoals dorstige kamelen drinken,

ہٰذَا نُزُلُہُمۡ یَوۡمَ الدِّیۡنِ ﴿ؕ۵۶﴾
056.056 Hatha nuzuluhum yawma alddeeni
56. Dit zal hun onthaal zijn op de Dag des Gerichts.

نَحۡنُ خَلَقۡنٰکُمۡ فَلَوۡ لَا تُصَدِّقُوۡنَ ﴿۵۷﴾
056.057 Nahnu khalaqnakum falawla tusaddiqoona
57. Wij schiepen u, maar waarom wilde u deWaarheid niet erkennen?

اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تُمۡنُوۡنَ ﴿ؕ۵۸﴾
056.058 Afaraaytum ma tumnoona
58. Zeg mij wat u verwekt,

ءَاَنۡتُمۡ تَخۡلُقُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡخٰلِقُوۡنَ ﴿۵۹﴾
056.059 Aantum takhluqoonahu am nahnu alkhaliqoona
59. Schept u het of zijn Wij de Schepper er van?

نَحۡنُ قَدَّرۡنَا بَیۡنَکُمُ الۡمَوۡتَ وَ مَا نَحۡنُ بِمَسۡبُوۡقِیۡنَ ﴿ۙ۶۰﴾
056.060 Nahnu qaddarna baynakumu almawta wama nahnu bimasbooqeena
60. Wij hebben de dood onder u verordend en Wij kunnen niet worden tegengehouden

عَلٰۤی اَنۡ نُّبَدِّلَ اَمۡثَالَکُمۡ وَ نُنۡشِئَکُمۡ فِیۡ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۱﴾
056.061 AAala an nubaddila amthalakum wanunshi-akum fee ma la taAAlamoona
61. Om anderen als u in uw plaats te stellen en u in een toestand te brengen die u niet kent.

وَ لَقَدۡ عَلِمۡتُمُ النَّشۡاَۃَ الۡاُوۡلٰی فَلَوۡ لَا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۶۲﴾
056.062 Walaqad AAalimtumu alnnash-ata al-oola falawla tathakkaroona
62. En zeker kent u de eerste schepping. Waarom trekt u er dan geen lering uit?

اَفَرَءَیۡتُمۡ مَّا تَحۡرُثُوۡنَ ﴿ؕ۶۳﴾
056.063 Afaraaytum ma tahruthoona
63. Heeft u gezien wat u zaait?

ءَاَنۡتُمۡ تَزۡرَعُوۡنَہٗۤ اَمۡ نَحۡنُ الزّٰرِعُوۡنَ ﴿۶۴﴾
056.064 Aantum tazraAAoonahu am nahnu alzzariAAoona
64. Doen Wij het groeien of doet u dat?

لَوۡ نَشَآءُ لَجَعَلۡنٰہُ حُطَامًا فَظَلۡتُمۡ تَفَکَّہُوۡنَ ﴿۶۵﴾
056.065 Law nashao lajaAAalnahu hutaman fathaltum tafakkahoona
65. Als Wij het willen, kunnen Wij dat alles tot stof maken, dan blijft u jammeren.

اِنَّا لَمُغۡرَمُوۡنَ ﴿ۙ۶۶﴾
056.066 Inna lamughramoona
66. (Zeggende): "Wij zijn beladen met borgstelling,

بَلۡ نَحۡنُ مَحۡرُوۡمُوۡنَ ﴿۶۷﴾
056.067 Bal nahnu mahroomoona
67. Meer nog, wij zijn van alles beroofd."

اَفَرَءَیۡتُمُ الۡمَآءَ الَّذِیۡ تَشۡرَبُوۡنَ ﴿ؕ۶۸﴾
056.068 Afaraaytumu almaa allathee tashraboona
68. Ziet, het water dat u drinkt,

ءَاَنۡتُمۡ اَنۡزَلۡتُمُوۡہُ مِنَ الۡمُزۡنِ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡزِلُوۡنَ ﴿۶۹﴾
056.069 Aantum anzaltumoohu mina almuzni am nahnu almunziloona
69. Bent u het die het uit de wolken nederzendt, of zijn Wij de Zender?

لَوۡ نَشَآءُ جَعَلۡنٰہُ اُجَاجًا فَلَوۡ لَا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿۷۰﴾
056.070 Law nashao jaAAalnahu ojajan falawla tashkuroona
70. Indien Wij het willen, kunnen Wij het bitter maken. Waarom bent u dan niet dankbaar?

اَفَرَءَیۡتُمُ النَّارَ الَّتِیۡ تُوۡرُوۡنَ ﴿ؕ۷۱﴾
056.071 Afaraaytumu alnnara allatee tooroona
71. En zeg mij; het vuur dat u aansteekt,

ءَاَنۡتُمۡ اَنۡشَاۡتُمۡ شَجَرَتَہَاۤ اَمۡ نَحۡنُ الۡمُنۡشِـُٔوۡنَ ﴿۷۲﴾
056.072 Aantum ansha/tum shajarataha am nahnu almunshi-oona
72. Bent u het die de boom er voor doet groeien of zijn Wij het?

نَحۡنُ جَعَلۡنٰہَا تَذۡکِرَۃً وَّ مَتَاعًا لِّلۡمُقۡوِیۡنَ ﴿ۚ۷۳﴾
056.073 Nahnu jaAAalnaha tathkiratan wamataAAan lilmuqweena
73. Wij hebben het tot een aanmaning en een weldaad gemaakt voor de reizigers in de wildernissen.

فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪ؓ۷۴﴾
056.074 Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi
74. Daarom verheerlijk de naam van uw Heer, de Verhevene.

فَلَاۤ اُقۡسِمُ بِمَوٰقِعِ النُّجُوۡمِ ﴿ۙ۷۵﴾
056.075 Fala oqsimu bimawaqiAAi alnnujoomi
75. En Ik roep het verschieten van de sterren tot getuige

وَ اِنَّہٗ لَقَسَمٌ لَّوۡ تَعۡلَمُوۡنَ عَظِیۡمٌ ﴿ۙ۷۶﴾
056.076 Wa-innahu laqasamun law taAAlamoona AAatheemun
76. En inderdaad is dat een grote eed, indien u het beseft -;

اِنَّہٗ لَقُرۡاٰنٌ کَرِیۡمٌ ﴿ۙ۷۷﴾
056.077 Innahu laqur-anun kareemun
77. Voorzeker, dit is (de) verheven Koran,

فِیۡ کِتٰبٍ مَّکۡنُوۡنٍ ﴿ۙ۷۸﴾
056.078 Fee kitabin maknoonin
78. Een beschermd Boek,

لَّا یَمَسُّہٗۤ اِلَّا الۡمُطَہَّرُوۡنَ ﴿ؕ۷۹﴾
056.079 La yamassuhu illa almutahharoona
79. Dat niemand zal aanraken behalve zij die zich louteren.

تَنۡزِیۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۰﴾
056.080 Tanzeelun min rabbi alAAalameena
80. Een Openbaring van de Heer van de Werelden.

اَفَبِہٰذَا الۡحَدِیۡثِ اَنۡتُمۡ مُّدۡہِنُوۡنَ ﴿ۙ۸۱﴾
056.081 Afabihatha alhadeethi antum mudhinoona
81. Veracht u dan deze aankondiging?

وَ تَجۡعَلُوۡنَ رِزۡقَکُمۡ اَنَّکُمۡ تُکَذِّبُوۡنَ ﴿۸۲﴾
056.082 WatajAAaloona rizqakum annakum tukaththiboona
82. En verzekert u door de ontkenning ervan uw levensonderhoud?

فَلَوۡ لَاۤ اِذَا بَلَغَتِ الۡحُلۡقُوۡمَ ﴿ۙ۸۳﴾
056.083 Falawla itha balaghati alhulqooma
83. Waarom dan, wanneer de ziel van (de stervende) zijn keel bereikt

وَ اَنۡتُمۡ حِیۡنَئِذٍ تَنۡظُرُوۡنَ ﴿ۙ۸۴﴾
056.084 Waantum heena-ithin tanthuroona
84. En u ziet toe - op dat ogenblik

وَ نَحۡنُ اَقۡرَبُ اِلَیۡہِ مِنۡکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُبۡصِرُوۡنَ ﴿۸۵﴾
056.085 Wanahnu aqrabu ilayhi minkum walakin la tubsiroona
85. Zijn Wij dichter bij hem dan u, maar u ziet dit niet,

فَلَوۡ لَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ غَیۡرَ مَدِیۡنِیۡنَ ﴿ۙ۸۶﴾
056.086 Falawla in kuntum ghayra madeeneena
86. Waarom dan, als u niet onderdanig bent,

تَرۡجِعُوۡنَہَاۤ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۸۷﴾
056.087 TarjiAAoonaha in kuntum sadiqeena
87. Brengt u haar niet terug indien u waarachtig bent?

فَاَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿ۙ۸۸﴾
056.088 Faamma in kana mina almuqarrabeena
88. Als hij nu behoort tot degenen, die dicht bij God zijn,

فَرَوۡحٌ وَّ رَیۡحَانٌ ۬ۙ وَّ جَنَّتُ نَعِیۡمٍ ﴿۸۹﴾
056.089 Farawhun warayhanun wajannatu naAAeemin
89. Dan is voor hem geluk en geur en een tuin van verrukking;

وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ۙ۹۰﴾
056.090 Waamma in kana min as-habi alyameeni
90. En indien hij behoort tot degenen aan de rechter kant,

فَسَلٰمٌ لَّکَ مِنۡ اَصۡحٰبِ الۡیَمِیۡنِ ﴿ؕ۹۱﴾
056.091 Fasalamun laka min as-habi alyameeni
91. Dan luidt het "Vrede zij u" van degenen aan de rechter kant.

وَ اَمَّاۤ اِنۡ کَانَ مِنَ الۡمُکَذِّبِیۡنَ الضَّآلِّیۡنَ ﴿ۙ۹۲﴾
056.092 Waamma in kana mina almukaththibeena alddalleena
92. Maar als hij behoort tot de dwalenden die (de Waarheid) hadden verloochend,

فَنُزُلٌ مِّنۡ حَمِیۡمٍ ﴿ۙ۹۳﴾
056.093 Fanuzulun min hameemin
93. Dan is voor hem een onthaal op kokend water

وَّ تَصۡلِیَۃُ جَحِیۡمٍ ﴿۹۴﴾
056.094 Watasliyatu jaheemin
94. En branden in de hel.

اِنَّ ہٰذَا لَہُوَ حَقُّ الۡیَقِیۡنِ ﴿ۚ۹۵﴾
056.095 Inna hatha lahuwa haqqu alyaqeeni
95. Voorzeker dit is de werkelijkheid.

فَسَبِّحۡ بِاسۡمِ رَبِّکَ الۡعَظِیۡمِ ﴿٪۹۶﴾
056.096 Fasabbih biismi rabbika alAAatheemi
96. Verheerlijk daarom de naam van uw Heer, de Verhevene.


www.heiligekoran.nl