7. Al-Aa'raaf
بِسۡمِ اللّٰہِ الرَّحۡمٰنِ الرَّحِیۡمِ
In de naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige
الٓـمّٓصٓ ۚ﴿۱﴾
007.001 Alif-lam-meem-sad
7:1 Alif Laam Meem Saad.

کِتٰبٌ اُنۡزِلَ اِلَیۡکَ فَلَا یَکُنۡ فِیۡ صَدۡرِکَ حَرَجٌ مِّنۡہُ لِتُنۡذِرَ بِہٖ وَ ذِکۡرٰی لِلۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۲﴾
007.002 Kitabun onzila ilayka fala yakun fee sadrika harajun minhu litunthira bihi wathikra lilmu/mineena
7:2 (Dit is) een Boek dat aan jou (Mohammed) geopenbaard is, laat er dus geen ongemak ervoor in je hart zijn, zodat je ermee kan waarschuwen en (bedoeld) als herinnering voor de gelovigen.

اِتَّبِعُوۡا مَاۤ اُنۡزِلَ اِلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ وَ لَا تَتَّبِعُوۡا مِنۡ دُوۡنِہٖۤ اَوۡلِیَآءَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۳﴾
007.003 IttabiAAoo ma onzila ilaykum min rabbikum wala tattabiAAoo min doonihi awliyaa qaleelan ma tathakkaroona
7:3 Volg wat geopenbaard is aan jullie, door jullie Heer. En ken geen enkel partners/deelgenoot toe aan Hem. Zeer weinig is wat jullie herinneren/gedenken (12:103, 2:88).

وَ کَمۡ مِّنۡ قَرۡیَۃٍ اَہۡلَکۡنٰہَا فَجَآءَہَا بَاۡسُنَا بَیَاتًا اَوۡ ہُمۡ قَآئِلُوۡنَ ﴿۴﴾
007.004 Wakam min qaryatin ahlaknaha fajaaha ba/suna bayatan aw hum qa-iloona
7:4 En zie hoeveel van de steden Wij hebben vernietigd. Onze straf kwam gedurende de nacht of gedurende hun middag dutje.

فَمَا کَانَ دَعۡوٰىہُمۡ اِذۡ جَآءَہُمۡ بَاۡسُنَاۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اِنَّا کُنَّا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۵﴾
007.005 Fama kana daAAwahum ith jaahum ba/suna illa an qaloo inna kunna thalimeena
7:5 En toen onze straf tot hen kwam, was hun enige geroep: "Voorzeker, we waren misdadigers."

فَلَنَسۡـَٔلَنَّ الَّذِیۡنَ اُرۡسِلَ اِلَیۡہِمۡ وَ لَنَسۡـَٔلَنَّ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ۙ﴿۶﴾
007.006 Falanas-alanna allatheena orsila ilayhim walanas-alanna almursaleena
7:6 Vervolgens zullen Wij degenen tot wie (de boodschappers) gezonden waren, ondervragen. En Wij zullen (ook) de boodschappers ondervragen.

فَلَنَقُصَّنَّ عَلَیۡہِمۡ بِعِلۡمٍ وَّ مَا کُنَّا غَآئِبِیۡنَ ﴿۷﴾
007.007 Falanaqussanna AAalayhim biAAilmin wama kunna gha-ibeena
7:7 Wij zullen daarna (de uitspraak, onderbouwd) met kennis voor hen oplezen. En Wij waren nooit afwezig.

وَ الۡوَزۡنُ یَوۡمَئِذِ ۣالۡحَقُّ ۚ فَمَنۡ ثَقُلَتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۸﴾
007.008 Waalwaznu yawma-ithini alhaqqu faman thaqulat mawazeenuhu faola-ika humu almuflihoona
7:8 En het wegen (van de schalen) op die dag zal de waarheid aantonen. Degenen met zware schalen (door het begaan van goede daden), zullen degenen zijn met succes. (Notitie: Zie ook 101:6)

وَ مَنۡ خَفَّتۡ مَوَازِیۡنُہٗ فَاُولٰٓئِکَ الَّذِیۡنَ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ بِمَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۹﴾
007.009 Waman khaffat mawazeenuhu faola-ika allatheena khasiroo anfusahum bima kanoo bi-ayatina yathlimoona
7:9 En degenen met lichte schalen, zij zijn dus degenen die zichzelf verloren hebben, omdat ze Onze tekenen verwierpen. (Notitie: Zie ook 101:8)

وَ لَقَدۡ مَکَّنّٰکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ وَ جَعَلۡنَا لَکُمۡ فِیۡہَا مَعَایِشَ ؕ قَلِیۡلًا مَّا تَشۡکُرُوۡنَ ﴿٪۱۰﴾
007.010 Walaqad makkannakum fee al-ardi wajaAAalna lakum feeha maAAayisha qaleelan ma tashkuroona
7:10 En voorzeker, Wij hebben jullie gevestigd op de aarde en Wij hebben levensonderhoud voor jullie erop gemaakt. Zeer weinig zijn jullie er dankbaar voor!

وَ لَقَدۡ خَلَقۡنٰکُمۡ ثُمَّ صَوَّرۡنٰکُمۡ ثُمَّ قُلۡنَا لِلۡمَلٰٓئِکَۃِ اسۡجُدُوۡا لِاٰدَمَ ٭ۖ فَسَجَدُوۡۤا اِلَّاۤ اِبۡلِیۡسَ ؕ لَمۡ یَکُنۡ مِّنَ السّٰجِدِیۡنَ ﴿۱۱﴾
007.011 Walaqad khalaqnakum thumma sawwarnakum thumma qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa lam yakun mina alssajideena
7:11 En voorzeker, Wij hebben jullie geschapen, vervolgens hebben Wij jullie gevormd. Daarna zeiden Wij tot de Engelen: "Prostreer voor Adam!" Dus prostreerden ze, behalve Iblies. Hij behoorde niet tot de groep die prostreerden (Hij was geen engel, zie ook 18:50).

قَالَ مَا مَنَعَکَ اَلَّا تَسۡجُدَ اِذۡ اَمَرۡتُکَ ؕ قَالَ اَنَا خَیۡرٌ مِّنۡہُ ۚ خَلَقۡتَنِیۡ مِنۡ نَّارٍ وَّ خَلَقۡتَہٗ مِنۡ طِیۡنٍ ﴿۱۲﴾
007.012 Qala ma manaAAaka alla tasjuda ith amartuka qala ana khayrun minhu khalaqtanee min narin wakhalaqtahu min teenin
7:12 Hij (Allah) vroeg: "Wat verhinderde jou om niet te prostreren toen Ik je het gebood? De satan zei: "Ik ben beter dan hem. U heeft me uit vuur geschapen terwijl U hem uit (gedroogde) klei heeft geschapen."

قَالَ فَاہۡبِطۡ مِنۡہَا فَمَا یَکُوۡنُ لَکَ اَنۡ تَتَکَبَّرَ فِیۡہَا فَاخۡرُجۡ اِنَّکَ مِنَ الصّٰغِرِیۡنَ ﴿۱۳﴾
007.013 Qala faihbit minha fama yakoonu laka an tatakabbara feeha faokhruj innaka mina alssaghireena
7:13 Hij (Allah) zei: "Ga eruit!" Het (deze tuin) is niet voor jou bestemd om er in arrogant te zijn. Ga dus weg! Jij behoort tot de vernederden."

قَالَ اَنۡظِرۡنِیۡۤ اِلٰی یَوۡمِ یُبۡعَثُوۡنَ ﴿۱۴﴾
007.014 Qala anthirnee ila yawmi yubAAathoona
7:14 Hij (satan) zei:"Geef mij uitstel tot de dag waarop zij zullen herrijzen."

قَالَ اِنَّکَ مِنَ الۡمُنۡظَرِیۡنَ ﴿۱۵﴾
007.015 Qala innaka mina almunthareena
7:15 Hij (Allah) zei: "Voorzeker, jij behoort tot degenen met verleende uitstel." (Echter niet tot de dag des oordeel, maar tot een bepaalde tijd, zie 15:38)

قَالَ فَبِمَاۤ اَغۡوَیۡتَنِیۡ لَاَقۡعُدَنَّ لَہُمۡ صِرَاطَکَ الۡمُسۡتَقِیۡمَ ﴿ۙ۱۶﴾
007.016 Qala fabima aghwaytanee laaqAAudanna lahum sirataka almustaqeema
7:16 Hij (satan) zei: "Omdat U mij heeft doen laten dwalen, zal ik voor hen op Uw rechte pad zitten.

ثُمَّ لَاٰتِیَنَّہُمۡ مِّنۡۢ بَیۡنِ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ مِنۡ خَلۡفِہِمۡ وَ عَنۡ اَیۡمَانِہِمۡ وَ عَنۡ شَمَآئِلِہِمۡ ؕ وَ لَا تَجِدُ اَکۡثَرَہُمۡ شٰکِرِیۡنَ ﴿۱۷﴾
007.017 Thumma laatiyannahum min bayni aydeehim wamin khalfihim waAAan aymanihim waAAan shama-ilihim wala tajidu aktharahum shakireena
7:17 Dan zal ik zeker van voren tot hen komen en van achteren, en van hun rechterkant en van hun linkerkant. En U zult de meeste van hen als ondankbare vinden."

قَالَ اخۡرُجۡ مِنۡہَا مَذۡءُوۡمًا مَّدۡحُوۡرًا ؕ لَمَنۡ تَبِعَکَ مِنۡہُمۡ لَاَمۡلَـَٔنَّ جَہَنَّمَ مِنۡکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۸﴾
007.018 Qala okhruj minha mathooman madhooran laman tabiAAaka minhum laamlaanna jahannama minkum ajmaAAeena
7:18 Hij (Allah) zei: "Ga er van weg, vernederd en verstoten! Voorzeker, wie jou volgt, weet dan, dat ik de hel met jullie allen zal vullen!"

وَ یٰۤاٰدَمُ اسۡکُنۡ اَنۡتَ وَ زَوۡجُکَ الۡجَنَّۃَ فَکُلَا مِنۡ حَیۡثُ شِئۡتُمَا وَ لَا تَقۡرَبَا ہٰذِہِ الشَّجَرَۃَ فَتَکُوۡنَا مِنَ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۹﴾
007.019 Waya adamu oskun anta wazawjuka aljannata fakula min haythu shi/tuma wala taqraba hathihi alshshajarata fatakoona mina alththalimeena
7:19 "En O Adam! Woon in de tuin, samen met jouw vrouw. En jullie beide mogen eten wat jullie willen, echter nader deze boom niet, anders zullen jullie beide tot de misdadigers behoren."

فَوَسۡوَسَ لَہُمَا الشَّیۡطٰنُ لِیُبۡدِیَ لَہُمَا مَا وٗرِیَ عَنۡہُمَا مِنۡ سَوۡاٰتِہِمَا وَ قَالَ مَا نَہٰکُمَا رَبُّکُمَا عَنۡ ہٰذِہِ الشَّجَرَۃِ اِلَّاۤ اَنۡ تَکُوۡنَا مَلَکَیۡنِ اَوۡ تَکُوۡنَا مِنَ الۡخٰلِدِیۡنَ ﴿۲۰﴾
007.020 Fawaswasa lahuma alshshaytanu liyubdiya lahuma ma wooriya AAanhuma min saw-atihima waqala ma nahakuma rabbukuma AAan hathihi alshshajarati illa an takoona malakayni aw takoona mina alkhalideena
7:20 Daarna fluisterde de satan hen beide in, zodat hij datgeen wat van hun schaamte bedekt was, zichtbaar maakte. En hij (de satan) zei: "Jouw Heer heeft deze boom aan jullie verboden omdat jullie engelen kunnen worden of omdat jullie onsterfelijk kunnen worden. (Zie ook 20:115-120)

وَ قَاسَمَہُمَاۤ اِنِّیۡ لَکُمَا لَمِنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿ۙ۲۱﴾
007.021 Waqasamahuma innee lakuma lamina alnnasiheena
7:21 En hij zweerde tegen beide van hen: "Voorzeker, ik ben voor beide van jullie een oprechte adviseur."

فَدَلّٰىہُمَا بِغُرُوۡرٍ ۚ فَلَمَّا ذَاقَا الشَّجَرَۃَ بَدَتۡ لَہُمَا سَوۡاٰتُہُمَا وَ طَفِقَا یَخۡصِفٰنِ عَلَیۡہِمَا مِنۡ وَّرَقِ الۡجَنَّۃِ ؕ وَ نَادٰىہُمَا رَبُّہُمَاۤ اَلَمۡ اَنۡہَکُمَا عَنۡ تِلۡکُمَا الشَّجَرَۃِ وَ اَقُلۡ لَّکُمَاۤ اِنَّ الشَّیۡطٰنَ لَکُمَا عَدُوٌّ مُّبِیۡنٌ ﴿۲۲﴾
007.022 Fadallahuma bighuroorin falamma thaqa alshshajarata badat lahuma saw-atuhuma watafiqa yakhsifani AAalayhima min waraqi aljannati wanadahuma rabbuhuma alam anhakuma AAan tilkuma alshshajarati waaqul lakuma inna alshshaytana lakuma AAaduwwun mubeenun
7:22 Echter hij liet hen beiden vallen door bedrog. Toen ze van de boom proefde, werd hun schaamte voor beide zichtbaar. En ze begonnen bladeren van de tuin op hen vast te maken. En de Heer riep hen beide aan:" Verbood ik deze boom niet voor jullie beide? En zei ik niet tegen jullie beide dat de satan een duidelijke vijand voor jullie is?

قَالَا رَبَّنَا ظَلَمۡنَاۤ اَنۡفُسَنَا ٜ وَ اِنۡ لَّمۡ تَغۡفِرۡ لَنَا وَ تَرۡحَمۡنَا لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۲۳﴾
007.023 Qala rabbana thalamna anfusana wa-in lam taghfir lana watarhamna lanakoonanna mina alkhasireena
7:23 Beide van hen zeiden: "Onze Heer, we hebben onszelf onrecht aangedaan! En wanneer U ons niet vergeeft en ons geen genade schenkt, dan zullen wij zeker tot de verliezers behoren." (Dit zijn de woorden die Adam ontving, zie ook 2:37)

قَالَ اہۡبِطُوۡا بَعۡضُکُمۡ لِبَعۡضٍ عَدُوٌّ ۚ وَ لَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ مُسۡتَقَرٌّ وَّ مَتَاعٌ اِلٰی حِیۡنٍ ﴿۲۴﴾
007.024 Qala ihbitoo baAAdukum libaAAdin AAaduwwun walakum fee al-ardi mustaqarrun wamataAAun ila heenin
7:24 Hij (Allah) zei: "Ga weg (van de tuin, waar er geen tekortkoming in was)! Sommige van jullie zullen een vijand voor anderen zijn. En de aarde is een tijdelijke woonplaats met levensonderhoud voor jullie."

قَالَ فِیۡہَا تَحۡیَوۡنَ وَ فِیۡہَا تَمُوۡتُوۡنَ وَ مِنۡہَا تُخۡرَجُوۡنَ ﴿٪۲۵﴾
007.025 Qala feeha tahyawna wafeeha tamootoona waminha tukhrajoona
7:25 Hij zei: "Jullie zullen daar leven en daar sterven en jullie zullen er uit worden voort gebracht (op de dag des oordeels)." (Zie 20:55)

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ قَدۡ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡکُمۡ لِبَاسًا یُّوَارِیۡ سَوۡاٰتِکُمۡ وَ رِیۡشًا ؕ وَ لِبَاسُ التَّقۡوٰی ۙ ذٰلِکَ خَیۡرٌ ؕ ذٰلِکَ مِنۡ اٰیٰتِ اللّٰہِ لَعَلَّہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۲۶﴾
007.026 Ya banee adama qad anzalna AAalaykum libasan yuwaree saw-atikum wareeshan walibasu alttaqwa thalika khayrun thalika min ayati Allahi laAAallahum yaththakkaroona
7:26 O kinderen van Adam! Voorzeker, Wij hebben voor jullie kleding neergezonden. Het bedekt jullie schaamte en het versiert jullie. Echter de beste kleding (bescherming) is de kleding van Taqwa (godvrezendheid). Dat zijn een aantal van Allah's tekenen, zodat ze kunnen gedenken (om de schaamte en jezelf te beschermen met kleding en Taqwa). (Notitie: Zie de kledingvoorschrift in 7:31, 24:31 en 33:59)

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ لَا یَفۡتِنَنَّکُمُ الشَّیۡطٰنُ کَمَاۤ اَخۡرَجَ اَبَوَیۡکُمۡ مِّنَ الۡجَنَّۃِ یَنۡزِعُ عَنۡہُمَا لِبَاسَہُمَا لِیُرِیَہُمَا سَوۡاٰتِہِمَا ؕ اِنَّہٗ یَرٰىکُمۡ ہُوَ وَ قَبِیۡلُہٗ مِنۡ حَیۡثُ لَا تَرَوۡنَہُمۡ ؕ اِنَّا جَعَلۡنَا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ لِلَّذِیۡنَ لَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۲۷﴾
007.027 Ya banee adama la yaftinannakumu alshshaytanu kama akhraja abawaykum mina aljannati yanziAAu AAanhuma libasahuma liyuriyahuma saw-atihima innahu yarakum huwa waqabeeluhu min haythu la tarawnahum inna jaAAalna alshshayateena awliyaa lillatheena la yu/minoona
7:27 O kinderen van Adam! Laat de satan je niet doen verleiden, net zoals hij jullie ouders heeft verleid, en van de tuin heeft verdreven, en voor hun beide hun kleding heeft verwijderd om hun schaamte zichtbaar te maken. Voorzeker, hij ziet jullie, hij en zijn stam (djiens), terwijl jullie hen niet zien. Voorzeker, Wij hebben voor degenen die niet geloven, de duivels tot hun Awliya (beschermers, helpers) gemaakt.

وَ اِذَا فَعَلُوۡا فَاحِشَۃً قَالُوۡا وَجَدۡنَا عَلَیۡہَاۤ اٰبَآءَنَا وَ اللّٰہُ اَمَرَنَا بِہَا ؕ قُلۡ اِنَّ اللّٰہَ لَا یَاۡمُرُ بِالۡفَحۡشَآءِ ؕ اَتَقُوۡلُوۡنَ عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۲۸﴾
007.028 Wa-itha faAAaloo fahishatan qaloo wajadna AAalayha abaana waAllahu amarana biha qul inna Allaha la ya/muru bialfahsha-i ataqooloona AAala Allahi ma la taAAlamoona
7:28 En wanneer ze onzedelijkheid begaan, zeggen ze: "Onze voorvaders deden het ook en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Voorzeker, Allah beveelt geen onzedelijkheid. Zeggen jullie dingen over Allah wat jullie niet weten?"

قُلۡ اَمَرَ رَبِّیۡ بِالۡقِسۡطِ ۟ وَ اَقِیۡمُوۡا وُجُوۡہَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ ادۡعُوۡہُ مُخۡلِصِیۡنَ لَہُ الدِّیۡنَ ۬ؕ کَمَا بَدَاَکُمۡ تَعُوۡدُوۡنَ ﴿ؕ۲۹﴾
007.029 Qul amara rabbee bialqisti waaqeemoo wujoohakum AAinda kulli masjidin waodAAoohu mukhliseena lahu alddeena kama badaakum taAAoodoona
7:29 Zeg: "(Slechts) Gerechtigheid is bevolen door mijn Heer! En richt jullie gezichten bij het prostreren tot Hem (alleen) en roep Hem zuiver biddend aan. Net zoals, Hij jullie heeft doen ontstaan (uit het niets, iets klein), zal Hij jullie terug laten keren (naar het niets, iets kleins).

فَرِیۡقًا ہَدٰی وَ فَرِیۡقًا حَقَّ عَلَیۡہِمُ الضَّلٰلَۃُ ؕ اِنَّہُمُ اتَّخَذُوا الشَّیٰطِیۡنَ اَوۡلِیَآءَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ وَ یَحۡسَبُوۡنَ اَنَّہُمۡ مُّہۡتَدُوۡنَ ﴿۳۰﴾
007.030 Fareeqan hada wafareeqan haqqa AAalayhimu alddalalatu innahumu ittakhathoo alshshayateena awliyaa min dooni Allahi wayahsaboona annahum muhtadoona
7:30 Hij (Allah) leidt een groep, en een (andere) groep verdient de dwaling. Voorzeker, ze nemen (namelijk) de duivels als Awliyah (berschermers, bemiddelaars, helpers) in plaats van Allah, en ze denken (door hoogmoed) dat ze recht geleid zijn.

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ خُذُوۡا زِیۡنَتَکُمۡ عِنۡدَ کُلِّ مَسۡجِدٍ وَّ کُلُوۡا وَ اشۡرَبُوۡا وَ لَا تُسۡرِفُوۡا ۚ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُسۡرِفِیۡنَ ﴿٪۳۱﴾
007.031 Ya banee adama khuthoo zeenatakum AAinda kulli masjidin wakuloo waishraboo wala tusrifoo innahu la yuhibbu almusrifeena
7:31 O Kinderen van Adam! Draag jullie mooie kleren bij elk gebed. Eet en drink maar verspil niet (wees niet extreem\buitensporig). Voorzeker, Hij (Allah) houdt niet van degene die overdrijven.

قُلۡ مَنۡ حَرَّمَ زِیۡنَۃَ اللّٰہِ الَّتِیۡۤ اَخۡرَجَ لِعِبَادِہٖ وَ الطَّیِّبٰتِ مِنَ الرِّزۡقِ ؕ قُلۡ ہِیَ لِلَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا خَالِصَۃً یَّوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ ؕ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۲﴾
007.032 Qul man harrama zeenata Allahi allatee akhraja liAAibadihi waalttayyibati mina alrrizqi qul hiya lillatheena amanoo fee alhayati alddunya khalisatan yawma alqiyamati kathalika nufassilu al-ayati liqawmin yaAAlamoona
7:32 Zeg: "Wie heeft het sierlijke\mooie (van alles) die Allah voor Zijn dienaren heeft voortgebracht, verboden verklaard, en ook de zuivere voedsel?" Zeg: "Ze zijn bedoeld voor de gelovigen gedurende het wereldse leven (en de ongelovigen maken er ook gebruik van), echter op de dag des oordeels is het slechts voor hen (de gelovigen)." Zo leggen Wij de tekenen uit voor mensen met kennis."

قُلۡ اِنَّمَا حَرَّمَ رَبِّیَ الۡفَوَاحِشَ مَا ظَہَرَ مِنۡہَا وَ مَا بَطَنَ وَ الۡاِثۡمَ وَ الۡبَغۡیَ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ وَ اَنۡ تُشۡرِکُوۡا بِاللّٰہِ مَا لَمۡ یُنَزِّلۡ بِہٖ سُلۡطٰنًا وَّ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۳﴾
007.033 Qul innama harrama rabbiya alfawahisha ma thahara minha wama batana waal-ithma waalbaghya bighayri alhaqqi waan tushrikoo biAllahi ma lam yunazzil bihi sultanan waan taqooloo AAala Allahi ma la taAAlamoona
7:33 Zeg: "Alleen de schandelijke daden heeft mijn Heer verboden verklaard, zowel het openlijke als het verborgene ervan! En de zonde (de ongehoorzaamheid), de onderdrukking zonder enige recht, het toekennen van bemiddelaars/deelgenoten aan Allah zonder enige bewijs, en dat je over Allah dingen zegt terwijl je het niet weet (o.a. het verklaren van hallal en haraam). (Notitie: zie ook 16:116)

وَ لِکُلِّ اُمَّۃٍ اَجَلٌ ۚ فَاِذَا جَآءَ اَجَلُہُمۡ لَا یَسۡتَاۡخِرُوۡنَ سَاعَۃً وَّ لَا یَسۡتَقۡدِمُوۡنَ ﴿۳۴﴾
007.034 Walikulli ommatin ajalun fa-itha jaa ajaluhum la yasta/khiroona saAAatan wala yastaqdimoona
7:34 En voor elke gemeenschap is er een vastgestelde termijn bepaald (voor het leven op aarde). Wanneer het tijdstip (van een gemeenschap) is gekomen, dan kunnen ze het (termijn) niet verlengen, zelfs geen uur, noch kunnen ze het versnellen.

یٰبَنِیۡۤ اٰدَمَ اِمَّا یَاۡتِیَنَّکُمۡ رُسُلٌ مِّنۡکُمۡ یَقُصُّوۡنَ عَلَیۡکُمۡ اٰیٰتِیۡ ۙ فَمَنِ اتَّقٰی وَ اَصۡلَحَ فَلَا خَوۡفٌ عَلَیۡہِمۡ وَ لَا ہُمۡ یَحۡزَنُوۡنَ ﴿۳۵﴾
007.035 Ya banee adama imma ya/tiyannakum rusulun minkum yaqussoona AAalaykum ayatee famani ittaqa waaslaha fala khawfun AAalayhim wala hum yahzanoona
7:35 O Kinderen van Adam! Wanneer er Boodschappers tot jullie komen, vanuit jullie gemeenschap, die Mijn tekenen voordragen (volg die dan). Wie dan Allah vreest en zichzelf verbeterd, op hem zal er geen angst zijn, noch zal hij treuren.

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَاۤ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ النَّارِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۳۶﴾
007.036 Waallatheena kaththaboo bi-ayatina waistakbaroo AAanha ola-ika as-habu alnnari hum feeha khalidoona
7:36 Maar degenen die Onze tekenen verwerpen en er hoogmoedig over zijn, zijn de bewoners van het vuur. Ze zullen er altijd in verblijven.

فَمَنۡ اَظۡلَمُ مِمَّنِ افۡتَرٰی عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اَوۡ کَذَّبَ بِاٰیٰتِہٖ ؕ اُولٰٓئِکَ یَنَالُہُمۡ نَصِیۡبُہُمۡ مِّنَ الۡکِتٰبِ ؕ حَتّٰۤی اِذَا جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُنَا یَتَوَفَّوۡنَہُمۡ ۙ قَالُوۡۤا اَیۡنَ مَا کُنۡتُمۡ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ ؕ قَالُوۡا ضَلُّوۡا عَنَّا وَ شَہِدُوۡا عَلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ اَنَّہُمۡ کَانُوۡا کٰفِرِیۡنَ ﴿۳۷﴾
007.037 Faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban aw kaththaba bi-ayatihi ola-ika yanaluhum naseebuhum mina alkitabi hatta itha jaat-hum rusuluna yatawaffawnahum qaloo ayna ma kuntum tadAAoona min dooni Allahi qaloo dalloo AAanna washahidoo AAala anfusihim annahum kanoo kafireena
7:37 Wie is er meer onrechtvaardig dan degene die over Allah een leugen verzint of degene die Zijn tekenen verwerpt? Ze zullen hun aandeel (van de wereldse voorzieningen, hun lot) dat genoteerd is in het Boek (Lauhoelmahfoezh) krijgen, totdat (de dood hen bereikt en) Onze gezanten (engelen) tot hen komen om hun zielen weg te nemen. Zij (de engelen) zullen zeggen: "Waar zijn degenen die jullie naast Allah aanriepen?" Ze zullen zeggen: "Ze hebben ons verlaten." En ze zullen getuigen tegen hunzelf dat ze ongelovig waren.

قَالَ ادۡخُلُوۡا فِیۡۤ اُمَمٍ قَدۡ خَلَتۡ مِنۡ قَبۡلِکُمۡ مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ فِی النَّارِ ؕ کُلَّمَا دَخَلَتۡ اُمَّۃٌ لَّعَنَتۡ اُخۡتَہَا ؕ حَتّٰۤی اِذَا ادَّارَکُوۡا فِیۡہَا جَمِیۡعًا ۙ قَالَتۡ اُخۡرٰىہُمۡ لِاُوۡلٰىہُمۡ رَبَّنَا ہٰۤؤُلَآءِ اَضَلُّوۡنَا فَاٰتِہِمۡ عَذَابًا ضِعۡفًا مِّنَ النَّارِ ۬ؕ قَالَ لِکُلٍّ ضِعۡفٌ وَّ لٰکِنۡ لَّا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۳۸﴾
007.038 Qala odkhuloo fee omamin qad khalat min qablikum mina aljinni waal-insi fee alnnari kullama dakhalat ommatun laAAanat okhtaha hatta itha iddarakoo feeha jameeAAan qalat okhrahum li-oolahum rabbana haola-i adalloona faatihim AAathaban diAAfan mina alnnari qala likullin diAAfun walakin la taAAlamoona
7:38 Hij (Allah) zal zeggen: "Betreed het vuur met daarin de volken van djiens en mensen die voor jou tijd overleden waren." Iedere keer dat er een volk (de hel) binnen betreed, zal het de voorgaande volk vervloeken totdat allen verzameld zijn (in de hel) en de laatste van hen (de laatst betreden volk in de hel) over de eerste van hen zal zeggen: "Onze Heer, deze hebben ons misleid, dus geef hun een dubbele straf van het vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Voor elk is er het dubbele, echter jullie weten het niet."

وَ قَالَتۡ اُوۡلٰىہُمۡ لِاُخۡرٰىہُمۡ فَمَا کَانَ لَکُمۡ عَلَیۡنَا مِنۡ فَضۡلٍ فَذُوۡقُوا الۡعَذَابَ بِمَا کُنۡتُمۡ تَکۡسِبُوۡنَ ﴿٪۳۹﴾
007.039 Waqalat oolahum li-okhrahum fama kana lakum AAalayna min fadlin fathooqoo alAAathaba bima kuntum taksiboona
7:39 En de eerste van hen zal tot de laatste van hen (weer) zeggen: "Jullie zijn niet beter dan ons, dus proef de straf voor wat jullie hebben verdiend."

اِنَّ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اسۡتَکۡبَرُوۡا عَنۡہَا لَا تُفَتَّحُ لَہُمۡ اَبۡوَابُ السَّمَآءِ وَ لَا یَدۡخُلُوۡنَ الۡجَنَّۃَ حَتّٰی یَلِجَ الۡجَمَلُ فِیۡ سَمِّ الۡخِیَاطِ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿۴۰﴾
007.040 Inna allatheena kaththaboo bi-ayatina waistakbaroo AAanha la tufattahu lahum abwabu alssama-i wala yadkhuloona aljannata hatta yalija aljamalu fee sammi alkhiyati wakathalika najzee almujrimeena
7:40 Voorzeker, de deuren van de hemel zullen niet worden geopend voor degenen die Onze tekenen verwierpen en er hoogmoedig voor waren. En ze zullen het paradijs niet betreden, net zoals een kameel die door een gat van een naald niet kan gaan. En zo vergelden Wij de misdadigers.

لَہُمۡ مِّنۡ جَہَنَّمَ مِہَادٌ وَّ مِنۡ فَوۡقِہِمۡ غَوَاشٍ ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۴۱﴾
007.041 Lahum min jahannama mihadun wamin fawqihim ghawashin wakathalika najzee alththalimeena
7:41 Voor hen is het vuur een bed en een deken. En dus vergelden Wij de misdadigers.

وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا وَ عَمِلُوا الصّٰلِحٰتِ لَا نُکَلِّفُ نَفۡسًا اِلَّا وُسۡعَہَاۤ ۫ اُولٰٓئِکَ اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ ۚ ہُمۡ فِیۡہَا خٰلِدُوۡنَ ﴿۴۲﴾
007.042 Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati la nukallifu nafsan illa wusAAaha ola-ika as-habu aljannati hum feeha khalidoona
7:42 Maar degenen die geloven en rechtvaardig handelden zij zijn de bewoners van het paradijs en weet dat Wij elke persoon hebben belast volgens zijn vermogen. Ze zullen er eeuwig in verblijven.

وَ نَزَعۡنَا مَا فِیۡ صُدُوۡرِہِمۡ مِّنۡ غِلٍّ تَجۡرِیۡ مِنۡ تَحۡتِہِمُ الۡاَنۡہٰرُ ۚ وَ قَالُوا الۡحَمۡدُ لِلّٰہِ الَّذِیۡ ہَدٰىنَا لِہٰذَا ۟ وَ مَا کُنَّا لِنَہۡتَدِیَ لَوۡ لَاۤ اَنۡ ہَدٰىنَا اللّٰہُ ۚ لَقَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ؕ وَ نُوۡدُوۡۤا اَنۡ تِلۡکُمُ الۡجَنَّۃُ اُوۡرِثۡتُمُوۡہَا بِمَا کُنۡتُمۡ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۴۳﴾
007.043 WanazaAAna ma fee sudoorihim min ghillin tajree min tahtihimu al-anharu waqaloo alhamdu lillahi allathee hadana lihatha wama kunna linahtadiya lawla an hadana Allahu laqad jaat rusulu rabbina bialhaqqi wanoodoo an tilkumu aljannatu oorithtumooha bima kuntum taAAmaloona
7:43 En Wij zullen wat er aan woede in hun harten is, verwijderen. Onder hen zullen er rivieren stromen en ze zullen zeggen: "Alle dank en lof komen tot Allah toe, Degene Die ons geleid heeft naar dit. En we zouden niet geleid zijn als Allah ons niet geleid had. Waarlijk, er kwamen boodschappers van onze Heer met de waarheid." En er zal tegen hun worden gezegd: "Dit is het paradijs, jullie hebben het geërfd door de daden die jullie hebben verricht."

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡجَنَّۃِ اَصۡحٰبَ النَّارِ اَنۡ قَدۡ وَجَدۡنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقًّا فَہَلۡ وَجَدۡتُّمۡ مَّا وَعَدَ رَبُّکُمۡ حَقًّا ؕ قَالُوۡا نَعَمۡ ۚ فَاَذَّنَ مُؤَذِّنٌۢ بَیۡنَہُمۡ اَنۡ لَّعۡنَۃُ اللّٰہِ عَلَی الظّٰلِمِیۡنَ ﴿ۙ۴۴﴾
007.044 Wanada as-habu aljannati as-haba alnnari an qad wajadna ma waAAadana rabbuna haqqan fahal wajadtum ma waAAada rabbukum haqqan qaloo naAAam faaththana mu-aththinun baynahum an laAAnatu Allahi AAala alththalimeena
7:44 En de bewoners van het Paradijs zullen tot de bewoners van de Hel roepen: "Voorzeker, we hebben gevonden dat hetgeen, wat door onze Heer aan ons beloofd was, de waarheid is. Hebben jullie gevonden wat door jullie Heer beloofd was?" Ze zullen zeggen: "Ja!" Vervolgens zal er omgeroept worden: "De vloek van Allah rust op de misdadigers."

الَّذِیۡنَ یَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ وَ یَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ ہُمۡ بِالۡاٰخِرَۃِ کٰفِرُوۡنَ ﴿ۘ۴۵﴾
007.045 Allatheena yasuddoona AAan sabeeli Allahi wayabghoonaha AAiwajan wahum bial-akhirati kafiroona
7:45 (Dat zijn) Degenen die de weg van Allah verhinderden en die de dwaling erin zochten en die niet in het hiernamaals geloofden.

وَ بَیۡنَہُمَا حِجَابٌ ۚ وَ عَلَی الۡاَعۡرَافِ رِجَالٌ یَّعۡرِفُوۡنَ کُلًّۢا بِسِیۡمٰہُمۡ ۚ وَ نَادَوۡا اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ سَلٰمٌ عَلَیۡکُمۡ ۟ لَمۡ یَدۡخُلُوۡہَا وَ ہُمۡ یَطۡمَعُوۡنَ ﴿۴۶﴾
007.046 Wabaynahuma hijabun waAAala al-aAArafi rijalun yaAArifoona kullan biseemahum wanadaw as-haba aljannati an salamun AAalaykum lam yadkhulooha wahum yatmaAAoona
7:46 En tussen hen (de bewoners van het paradijs en de hel) zal er een afscheiding zijn en op de A'raaf* zullen er mannen zijn die de bewoners (van de hel en het paradijs) herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken. En ze zullen roepen tegen de bewoners van het paradijs: "Vrede zij met jullie!" Ze zijn echter het (paradijs) nog niet binnen gegaan, maar ze verlangen er begerig naar. (* De A'raaf is een hoge vlakte met nog niet berechte mensen erop vanwege hun evenwichtige schalen. De mensen van de A'raaf kunnen zowel de mensen van het paradijs als van de hel zien.)

وَ اِذَا صُرِفَتۡ اَبۡصَارُہُمۡ تِلۡقَآءَ اَصۡحٰبِ النَّارِ ۙ قَالُوۡا رَبَّنَا لَا تَجۡعَلۡنَا مَعَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿٪۴۷﴾
007.047 Wa-itha surifat absaruhum tilqaa as-habi alnnari qaloo rabbana la tajAAalna maAAa alqawmi alththalimeena
7:47 En wanneer hun ogen gedraaid worden (door Allah) om naar de bewoners van het vuur te kijken, dan zullen ze zeggen: "Onze Heer! Plaats ons niet tussen het misdadige volk!"

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ الۡاَعۡرَافِ رِجَالًا یَّعۡرِفُوۡنَہُمۡ بِسِیۡمٰہُمۡ قَالُوۡا مَاۤ اَغۡنٰی عَنۡکُمۡ جَمۡعُکُمۡ وَ مَا کُنۡتُمۡ تَسۡتَکۡبِرُوۡنَ ﴿۴۸﴾
007.048 Wanada as-habu al-aAArafi rijalan yaAArifoonahum biseemahum qaloo ma aghna AAankum jamAAukum wama kuntum tastakbiroona
7:48 En de mensen op de A'raaf (de hoge vlakte) zullen roepen tegen de mannen (van de hel) die ze herkennen (uit het wereldse leven) door hun kenmerken: "Wat jullie verzamelden (aan rijkdommen, kinderen, etc) heeft jullie niet mogen baten en ook hetgeen waar jullie arrogant over waren!"

اَہٰۤؤُلَآءِ الَّذِیۡنَ اَقۡسَمۡتُمۡ لَا یَنَالُہُمُ اللّٰہُ بِرَحۡمَۃٍ ؕ اُدۡخُلُوا الۡجَنَّۃَ لَا خَوۡفٌ عَلَیۡکُمۡ وَ لَاۤ اَنۡتُمۡ تَحۡزَنُوۡنَ ﴿۴۹﴾
007.049 Ahaola-i allatheena aqsamtum la yanaluhumu Allahu birahmatin odkhuloo aljannata la khawfun AAalaykum wala antum tahzanoona
7:49 "Zijn deze degenen (wijzend naar de gelovigen), waarover jullie hebben gezworen dat Allah hen niet de genade zou schenken?" (Vervolgens zal Allah tot de bewoners van de A'raaf zeggen:) "Betreed het paradijs, er zal geen vrees voor jullie zijn en jullie zullen niet treuren."

وَ نَادٰۤی اَصۡحٰبُ النَّارِ اَصۡحٰبَ الۡجَنَّۃِ اَنۡ اَفِیۡضُوۡا عَلَیۡنَا مِنَ الۡمَآءِ اَوۡ مِمَّا رَزَقَکُمُ اللّٰہُ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّ اللّٰہَ حَرَّمَہُمَا عَلَی الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿ۙ۵۰﴾
007.050 Wanada as-habu alnari as-haba aljannati an afeedoo AAalayna mina alma-i aw mimma razaqakumu Allahu qaloo inna Allaha harramahuma AAala alkafireena
7:50 En de bewoners van de hel zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Besproei water over ons of iets waarmee Allah jullie voorzien van heeft! Ze zullen zeggen: "Voorzeker, Allah heeft beiden voor de ongelovigen verboden verklaard."

الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوۡا دِیۡنَہُمۡ لَہۡوًا وَّ لَعِبًا وَّ غَرَّتۡہُمُ الۡحَیٰوۃُ الدُّنۡیَا ۚ فَالۡیَوۡمَ نَنۡسٰہُمۡ کَمَا نَسُوۡا لِقَآءَ یَوۡمِہِمۡ ہٰذَا ۙ وَ مَا کَانُوۡا بِاٰیٰتِنَا یَجۡحَدُوۡنَ ﴿۵۱﴾
007.051 Allatheena ittakhathoo deenahum lahwan walaAAiban wagharrat-humu alhayatu alddunya faalyawma nansahum kama nasoo liqaa yawmihim hatha wama kanoo bi-ayatina yajhadoona
7:51 Zij zijn degenen die hun levenswijze als een vermaak en spel namen, en het wereldse leven heeft hun bedrogen. Dus vandaag vergeten Wij hen, net zoals ze de ontmoeting van deze dag vergaten en omdat ze Onze tekenen verwierpen.

وَ لَقَدۡ جِئۡنٰہُمۡ بِکِتٰبٍ فَصَّلۡنٰہُ عَلٰی عِلۡمٍ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃً لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۵۲﴾
007.052 Walaqad ji/nahum bikitabin fassalnahu AAala AAilmin hudan warahmatan liqawmin yu/minoona
7:52 En voorzeker Wij hebben voor hen een boek gebracht, welke Wij met kennis hebben uitgelegd, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.

ہَلۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَّا تَاۡوِیۡلَہٗ ؕ یَوۡمَ یَاۡتِیۡ تَاۡوِیۡلُہٗ یَقُوۡلُ الَّذِیۡنَ نَسُوۡہُ مِنۡ قَبۡلُ قَدۡ جَآءَتۡ رُسُلُ رَبِّنَا بِالۡحَقِّ ۚ فَہَلۡ لَّنَا مِنۡ شُفَعَآءَ فَیَشۡفَعُوۡا لَنَاۤ اَوۡ نُرَدُّ فَنَعۡمَلَ غَیۡرَ الَّذِیۡ کُنَّا نَعۡمَلُ ؕ قَدۡ خَسِرُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ وَ ضَلَّ عَنۡہُمۡ مَّا کَانُوۡا یَفۡتَرُوۡنَ ﴿٪۵۳﴾
007.053 Hal yanthuroona illa ta/weelahu yawma ya/tee ta/weeluhu yaqoolu allatheena nasoohu min qablu qad jaat rusulu rabbina bialhaqqi fahal lana min shufaAAaa fayashfaAAoo lana aw nuraddu fanaAAmala ghayra allathee kunna naAAmalu qad khasiroo anfusahum wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona
7:53 Wachten ze slechts op zijn uitvoering (de straf)? De dag waarop de straf zal komen, zullen degenen, die het (boek) vergaten, zeggen: "Waarlijk, er waren boodschappers van onze Heer met de waarheid gekomen. Zijn er dus voor ons enige bemiddelaars, zodat ze voor ons kunnen bemiddelen? Of dat we terug gestuurd kunnen worden, zodat we andere daden kunnen verrichten, dan de daden die we eerst deden?" Waarlijk, ze hebben zichzelf verloren en hetgeen ze verzonnen hadden is weggegaan.

اِنَّ رَبَّکُمُ اللّٰہُ الَّذِیۡ خَلَقَ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضَ فِیۡ سِتَّۃِ اَیَّامٍ ثُمَّ اسۡتَوٰی عَلَی الۡعَرۡشِ ۟ یُغۡشِی الَّیۡلَ النَّہَارَ یَطۡلُبُہٗ حَثِیۡثًا ۙ وَّ الشَّمۡسَ وَ الۡقَمَرَ وَ النُّجُوۡمَ مُسَخَّرٰتٍۭ بِاَمۡرِہٖ ؕ اَلَا لَہُ الۡخَلۡقُ وَ الۡاَمۡرُ ؕ تَبٰرَکَ اللّٰہُ رَبُّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۵۴﴾
007.054 Inna rabbakumu Allahu allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi yughshee allayla alnnahara yatlubuhu hatheethan waalshshamsa waalqamara waalnnujooma musakhkharatin bi-amrihi ala lahu alkhalqu waal-amru tabaraka Allahu rabbu alAAalameena
7:54 Voorzeker, jullie Heer is Allah, Degene Die de hemelen en de aarde schiep in zes dagen (32:4, 22:47). Vervolgens besteeg Hij de troon. Hij bedekt de nacht met de dag, die elkaar snel achtervolgen (36:40). En de zon, de maan en de sterren onderwerpen zich aan zijn gebod. Zonder enige twijfel, voor Hem (alleen) is het creëren en het gebod. Gezegend is Hij, Heer van de werelden (25:61).

اُدۡعُوۡا رَبَّکُمۡ تَضَرُّعًا وَّ خُفۡیَۃً ؕ اِنَّہٗ لَا یُحِبُّ الۡمُعۡتَدِیۡنَ ﴿ۚ۵۵﴾
007.055 OdAAoo rabbakum tadarruAAan wakhufyatan innahu la yuhibbu almuAAtadeena
7:55 Roep jullie Heer nederig en in stilte aan. Voorzeker, Hij houdt niet van de misdadigers.

وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا وَ ادۡعُوۡہُ خَوۡفًا وَّ طَمَعًا ؕ اِنَّ رَحۡمَتَ اللّٰہِ قَرِیۡبٌ مِّنَ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۵۶﴾
007.056 Wala tufsidoo fee al-ardi baAAda islahiha waodAAoohu khawfan watamaAAan inna rahmata Allahi qareebun mina almuhsineena
7:56 En zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). En roep Hem aan met vrees en hoop. Voorzeker, de barmhartigheid van Allah is dichtbij de Muhsinien (persoon met het hoogste niveau van geloof).

وَ ہُوَ الَّذِیۡ یُرۡسِلُ الرِّیٰحَ بُشۡرًۢا بَیۡنَ یَدَیۡ رَحۡمَتِہٖ ؕ حَتّٰۤی اِذَاۤ اَقَلَّتۡ سَحَابًا ثِقَالًا سُقۡنٰہُ لِبَلَدٍ مَّیِّتٍ فَاَنۡزَلۡنَا بِہِ الۡمَآءَ فَاَخۡرَجۡنَا بِہٖ مِنۡ کُلِّ الثَّمَرٰتِ ؕ کَذٰلِکَ نُخۡرِجُ الۡمَوۡتٰی لَعَلَّکُمۡ تَذَکَّرُوۡنَ ﴿۵۷﴾
007.057 Wahuwa allathee yursilu alrriyaha bushran bayna yaday rahmatihi hatta itha aqallat sahaban thiqalan suqnahu libaladin mayyitin faanzalna bihi almaa faakhrajna bihi min kulli alththamarati kathalika nukhriju almawta laAAallakum tathakkaroona
7:57 En Hij is Degene Die de winden zendt als goede nieuws van Zijn barmhartigheid. Wanneer ze zware wolken dragen, sturen Wij ze naar een dood (verdord) land, dan doen Wij het water neerdalen. Vervolgens brengen Wij alle soorten vruchten er uit voort. Net zo zullen Wij de doden (op de dag des oordeels) opwekken, (Allah geeft deze vergelijking) zodat jullie kunnen gedenken.

وَ الۡبَلَدُ الطَّیِّبُ یَخۡرُجُ نَبَاتُہٗ بِاِذۡنِ رَبِّہٖ ۚ وَ الَّذِیۡ خَبُثَ لَا یَخۡرُجُ اِلَّا نَکِدًا ؕ کَذٰلِکَ نُصَرِّفُ الۡاٰیٰتِ لِقَوۡمٍ یَّشۡکُرُوۡنَ ﴿٪۵۸﴾
007.058 Waalbaladu alttayyibu yakhruju nabatuhu bi-ithni rabbihi waallathee khabutha la yakhruju illa nakidan kathalika nusarrifu al-ayati liqawmin yashkuroona
7:58 En uit goede aarde komt (goede) gewassen voort door het verlof van Allah. Echter, uit het slechte zal niets (goeds) of met veel moeite iets voort komen. Zo leggen Wij de tekenen uit voor een dankbare volk. (Notitie: Uit het goede komt het goede voort en uit het slechte komt niets goeds voort.)

لَقَدۡ اَرۡسَلۡنَا نُوۡحًا اِلٰی قَوۡمِہٖ فَقَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اِنِّیۡۤ اَخَافُ عَلَیۡکُمۡ عَذَابَ یَوۡمٍ عَظِیۡمٍ ﴿۵۹﴾
007.059 Laqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin
7:59 Voorzeker, Wij zonden Noeh (Noach) tot zijn volk en hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah! Er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Voorzeker, ik vrees de straf voor jullie op de grote dag."

قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ ضَلٰلٍ مُّبِیۡنٍ ﴿۶۰﴾
007.060 Qala almalao min qawmihi inna lanaraka fee dalalin mubeenin
7:60 De leiders van zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien jou in een duidelijke dwaling verkeren."

قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ ضَلٰلَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶۱﴾
007.061 Qala ya qawmi laysa bee dalalatun walakinnee rasoolun min rabbi alAAalameena
7:61 Hij (Noeh) zei: "O mijn volk! Ik verkeer niet in dwaling. Echter, ik ben een boodschapper van de Heer der werelden.

اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنۡصَحُ لَکُمۡ وَ اَعۡلَمُ مِنَ اللّٰہِ مَا لَا تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۶۲﴾
007.062 Oballighukum risalati rabbee waansahu lakum waaAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona
7:62 Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer. En ik adviseer jullie (ermee) en ik heb kennis over Allah die jullie niet hebben."

اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ وَ لِتَتَّقُوۡا وَ لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۶۳﴾
007.063 Awa AAajibtum an jaakum thikrun min rabbikum AAala rajulin minkum liyunthirakum walitattaqoo walaAAallakum turhamoona
7:63 Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen? Zodat hij jullie waarschuwt, en zodat jullie (Allah) kunnen vrezen, en zodat jullie de genade (van Allah) kunnen krijgen."

فَکَذَّبُوۡہُ فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ فِی الۡفُلۡکِ وَ اَغۡرَقۡنَا الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ؕ اِنَّہُمۡ کَانُوۡا قَوۡمًا عَمِیۡنَ ﴿٪۶۴﴾
007.064 Fakaththaboohu faanjaynahu waallatheena maAAahu fee alfulki waaghraqna allatheena kaththaboo bi-ayatina innahum kanoo qawman AAameena
7:64 Echter ze wezen hem af. Dus redde Wij hem en degenen die met hem in de ark waren. En Wij lieten degenen, die Onze tekenen verwierpen, verdrinken. Voorzeker, het was een blind volk.

وَ اِلٰی عَادٍ اَخَاہُمۡ ہُوۡدًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ اَفَلَا تَتَّقُوۡنَ ﴿۶۵﴾
007.065 Wa-ila AAadin akhahum hoodan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona
7:65 En tot het volk Aad zonden Wij Hoed, Hij zei: "O mijn volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarom vrezen jullie Allah niet?" (Notitie: Het volk van Aad was een volk dat ten zuiden van Arabië leefden. Hoed was de eerste profeet na Noeh.)

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖۤ اِنَّا لَنَرٰىکَ فِیۡ سَفَاہَۃٍ وَّ اِنَّا لَنَظُنُّکَ مِنَ الۡکٰذِبِیۡنَ ﴿۶۶﴾
007.066 Qala almalao allatheena kafaroo min qawmihi inna lanaraka fee safahatin wa-inna lanathunnuka mina alkathibeena
7:66 De leiders van de ongelovigen onder zijn volk zeiden: "Voorzeker, wij zien dat jij in dwaasheid verkeert en we denken dat jij liegt."

قَالَ یٰقَوۡمِ لَیۡسَ بِیۡ سَفَاہَۃٌ وَّ لٰکِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۶۷﴾
007.067 Qala ya qawmi laysa bee safahatun walakinnee rasoolun min rabbi alAAalameena
7:67 Hij (Hoed) zei: "O mijn volk! Er is geen dwaasheid in mij! Echter ik ben een boodschapper van de Heer der werelden."

اُبَلِّغُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ اَنَا لَکُمۡ نَاصِحٌ اَمِیۡنٌ ﴿۶۸﴾
007.068 Oballighukum risalati rabbee waana lakum nasihun ameenun
7:68 "Ik geef jullie slechts de boodschappen van mijn Heer en ik ben voor jullie een betrouwbare adviseur."

اَوَ عَجِبۡتُمۡ اَنۡ جَآءَکُمۡ ذِکۡرٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَلٰی رَجُلٍ مِّنۡکُمۡ لِیُنۡذِرَکُمۡ ؕ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ قَوۡمِ نُوۡحٍ وَّ زَادَکُمۡ فِی الۡخَلۡقِ بَصۜۡطَۃً ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ لَعَلَّکُمۡ تُفۡلِحُوۡنَ ﴿۶۹﴾
007.069 Awa AAajibtum an jaakum thikrun min rabbikum AAala rajulin minkum liyunthirakum waothkuroo ith jaAAalakum khulafaa min baAAdi qawmi noohin wazadakum fee alkhalqi bastatan faothkuroo alaa Allahi laAAallakum tuflihoona
7:69 "Verbaast het jullie dat er een herinnering van jullie Heer via een man uit jullie volk is gekomen, zodat hij jullie waarschuwt? En gedenk toen Hij (Allah) jullie de opvolgers (van generatie) van het volk van Noeh maakte en dat Hij jullie zeer groot maakte van lichaamsbouw. Dus gedenk de gunsten van Allah, zodat jullie succes kunnen verkrijgen."

قَالُوۡۤا اَجِئۡتَنَا لِنَعۡبُدَ اللّٰہَ وَحۡدَہٗ وَ نَذَرَ مَا کَانَ یَعۡبُدُ اٰبَآؤُنَا ۚ فَاۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۷۰﴾
007.070 Qaloo aji/tana linaAAbuda Allaha wahdahu wanathara ma kana yaAAbudu abaona fa/tina bima taAAiduna in kunta mina alssadiqeena
7:70 Ze zeiden: "Ben jij alleen tot ons gekomen, zodat we slechts Allah alleen moeten aanbidden en we hetgeen moeten verlaten wat onze voorvaders aanbaden?" Breng dan maar datgeen wat jij belooft hebt aan ons (de bestraffing), als jij de waarheid spreekt."

قَالَ قَدۡ وَقَعَ عَلَیۡکُمۡ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ رِجۡسٌ وَّ غَضَبٌ ؕ اَتُجَادِلُوۡنَنِیۡ فِیۡۤ اَسۡمَآءٍ سَمَّیۡتُمُوۡہَاۤ اَنۡتُمۡ وَ اٰبَآؤُکُمۡ مَّا نَزَّلَ اللّٰہُ بِہَا مِنۡ سُلۡطٰنٍ ؕ فَانۡتَظِرُوۡۤا اِنِّیۡ مَعَکُمۡ مِّنَ الۡمُنۡتَظِرِیۡنَ ﴿۷۱﴾
007.071 Qala qad waqaAAa AAalaykum min rabbikum rijsun waghadabun atujadiloonanee fee asma-in sammaytumooha antum waabaokum ma nazzala Allahu biha min sultanin faintathiroo innee maAAakum mina almuntathireena
7:71 Hij zei: "Waarlijk, op jullie rust er nu de bestraffing en de woede van jullie Heer. Maken jullie ruzie met mij alleen voor de namen die jullie en jullie voorvaders verzonnen hebben terwijl Allah er geen enkel bewijs voor heeft neergezonden? Wacht dan! Voorzeker, ik wacht ook.

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ الَّذِیۡنَ مَعَہٗ بِرَحۡمَۃٍ مِّنَّا وَ قَطَعۡنَا دَابِرَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ مَا کَانُوۡا مُؤۡمِنِیۡنَ ﴿٪۷۲﴾
007.072 Faanjaynahu waallatheena maAAahu birahmatin minna waqataAAna dabira allatheena kaththaboo bi-ayatina wama kanoo mu/mineena
7:72 Dus hebben Wij hem (Hoed) en degenen met hem (die de boodschap geaccepteerd hadden) door Onze genade, gered (van de storm). En Wij hebben de wortels, van degenen die Onze tekenen verwierpen, afgesneden. En ze waren geen gelovigen.

وَ اِلٰی ثَمُوۡدَ اَخَاہُمۡ صٰلِحًا ۘ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ ؕ ہٰذِہٖ نَاقَۃُ اللّٰہِ لَکُمۡ اٰیَۃً فَذَرُوۡہَا تَاۡکُلۡ فِیۡۤ اَرۡضِ اللّٰہِ وَ لَا تَمَسُّوۡہَا بِسُوۡٓءٍ فَیَاۡخُذَکُمۡ عَذَابٌ اَلِیۡمٌ ﴿۷۳﴾
007.073 Wa-ila thamooda akhahum salihan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum hathihi naqatu Allahi lakum ayatan fatharooha ta/kul fee ardi Allahi wala tamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabun aleemun
7:73 En voor het volk Thamoed zonden Wij hun broeder Salih. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dit is een vrouwtjes-kameel geschonken door Allah, het is voor jullie een teken. Zo laat haar eten op de aarde van Allah, en doe haar geen kwaad, anders zullen jullie door een pijnlijke straf worden gegrepen. (Notitie: Het volk van Thamoed was een volk dat ten noorden van Arabië leefden, en dat ontstaan is uit de mensen die gered zijn van het volk van Aad. Waarschijnlijk zijn de gelovigen dus van het zuiden van Arabië naar het noorden van Arabië gegaan.)

وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ جَعَلَکُمۡ خُلَفَآءَ مِنۡۢ بَعۡدِ عَادٍ وَّ بَوَّاَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ تَتَّخِذُوۡنَ مِنۡ سُہُوۡلِہَا قُصُوۡرًا وَّ تَنۡحِتُوۡنَ الۡجِبَالَ بُیُوۡتًا ۚ فَاذۡکُرُوۡۤا اٰلَآءَ اللّٰہِ وَ لَا تَعۡثَوۡا فِی الۡاَرۡضِ مُفۡسِدِیۡنَ ﴿۷۴﴾
007.074 Waothkuroo ith jaAAalakum khulafaa min baAAdi AAadin wabawwaakum fee al-ardi tattakhithoona min suhooliha qusooran watanhitoona aljibala buyootan faothkuroo alaa Allahi wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena
7:74 "En herinner dat Hij jullie als opvolgers van het volk Aad heeft gemaakt en dat Hij jullie (in aantallen) op de aarde heeft gevestigd." En dat jullie paleizen (door Zijn verlof) op vlaktes bouwen. En dat jullie (door zijn verlof) de bergen uithouwen om er huizen in te maken. Dus gedenk de gunsten van Allah en verricht geen slechte daden om verderf op aarde te zaaien.

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لِلَّذِیۡنَ اسۡتُضۡعِفُوۡا لِمَنۡ اٰمَنَ مِنۡہُمۡ اَتَعۡلَمُوۡنَ اَنَّ صٰلِحًا مُّرۡسَلٌ مِّنۡ رَّبِّہٖ ؕ قَالُوۡۤا اِنَّا بِمَاۤ اُرۡسِلَ بِہٖ مُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۷۵﴾
007.075 Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lillatheena istudAAifoo liman amana minhum ataAAlamoona anna salihan mursalun min rabbihi qaloo inna bima orsila bihi mu/minoona
7:75 De hoogmoedige leiders van zijn volk zeiden tegen de gelovigen die onderdrukt werden: "Weten jullie dat Salih degene is die gezonden is door zijn Heer?" Ze zeiden: "voorzeker, wij geloven in datgeen wat aan hem is geopenbaard."

قَالَ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡۤا اِنَّا بِالَّذِیۡۤ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ کٰفِرُوۡنَ ﴿۷۶﴾
007.076 Qala allatheena istakbaroo inna biallathee amantum bihi kafiroona
7:76 Degenen die hoogmoedig waren, zeiden: "Voorzeker, wij geloven niet in hetgeen waar jullie in geloven."

فَعَقَرُوا النَّاقَۃَ وَ عَتَوۡا عَنۡ اَمۡرِ رَبِّہِمۡ وَ قَالُوۡا یٰصٰلِحُ ائۡتِنَا بِمَا تَعِدُنَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الۡمُرۡسَلِیۡنَ ﴿۷۷﴾
007.077 FaAAaqaroo alnnaqata waAAataw AAan amri rabbihim waqaloo ya salihu i/tina bima taAAiduna in kunta mina almursaleena
7:77 Vervolgens verlamde ze de vrouwtjes-kameel. Dus waren ze ongehoorzaam voor het gebod van hun Heer. En ze zeiden: "O Salih! Breng ons maar wat je ons beloofd hebt als jij tot de boodschappers behoort."

فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿۷۸﴾
007.078 Faakhathat-humu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena
7:78 Dus greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.

فَتَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰقَوۡمِ لَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ رِسَالَۃَ رَبِّیۡ وَ نَصَحۡتُ لَکُمۡ وَ لٰکِنۡ لَّا تُحِبُّوۡنَ النّٰصِحِیۡنَ ﴿۷۹﴾
007.079 Fatawalla AAanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalata rabbee wanasahtu lakum walakin la tuhibboona alnnasiheena
7:79 Dus ging hij (Shalih) weg van hen en zei: "O mijn volk! Waarlijk, ik heb voor jullie de boodschap van mijn Heer overgebracht. En ik adviseerde jullie ermee, maar jullie hielden niet van de raadplegers."

وَ لُوۡطًا اِذۡ قَالَ لِقَوۡمِہٖۤ اَتَاۡتُوۡنَ الۡفَاحِشَۃَ مَا سَبَقَکُمۡ بِہَا مِنۡ اَحَدٍ مِّنَ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۸۰﴾
007.080 Walootan ith qala liqawmihi ata/toona alfahishata ma sabaqakum biha min ahadin mina alAAalameena
7:80 En (gedenk) Loeth (Lot), toen hij tot zijn volk zei: "Bedrijven jullie zo'n onzedelijkheid die door niemand op de wereld eerder is begaan?"

اِنَّکُمۡ لَتَاۡتُوۡنَ الرِّجَالَ شَہۡوَۃً مِّنۡ دُوۡنِ النِّسَآءِ ؕ بَلۡ اَنۡتُمۡ قَوۡمٌ مُّسۡرِفُوۡنَ ﴿۸۱﴾
007.081 Innakum lata/toona alrrijala shahwatan min dooni alnnisa-i bal antum qawmun musrifoona
7:81 Voorwaar, jullie benaderen de mannen begerig in plaats van de vrouwen. Nee! Jullie zijn een volk dat een grote onzedelijkheid begaan.

وَ مَا کَانَ جَوَابَ قَوۡمِہٖۤ اِلَّاۤ اَنۡ قَالُوۡۤا اَخۡرِجُوۡہُمۡ مِّنۡ قَرۡیَتِکُمۡ ۚ اِنَّہُمۡ اُنَاسٌ یَّتَطَہَّرُوۡنَ ﴿۸۲﴾
007.082 Wama kana jawaba qawmihi illa an qaloo akhrijoohum min qaryatikum innahum onasun yatatahharoona
7:82 En het enige antwoord van zijn volk was dat ze zeiden: "Verdrijf hen uit jullie stad. Voorzeker, ze zijn mensen die zichzelf rein houden."

فَاَنۡجَیۡنٰہُ وَ اَہۡلَہٗۤ اِلَّا امۡرَاَتَہٗ ۫ۖ کَانَتۡ مِنَ الۡغٰبِرِیۡنَ ﴿۸۳﴾
007.083 Faanjaynahu waahlahu illa imraatahu kanat mina alghabireena
7:83 Dus redden Wij hem en zijn familie, behalve zijn vrouw. Ze behoorde (ook) tot de groep die achter bleven.

وَ اَمۡطَرۡنَا عَلَیۡہِمۡ مَّطَرًا ؕ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُجۡرِمِیۡنَ ﴿٪۸۴﴾
007.084 Waamtarna AAalayhim mataran faonthur kayfa kana AAaqibatu almujrimeena
7:84 En Wij bestendigden hen vanuit de hemel. Dus zie hoe het einde was van de misdadigers.

وَ اِلٰی مَدۡیَنَ اَخَاہُمۡ شُعَیۡبًا ؕ قَالَ یٰقَوۡمِ اعۡبُدُوا اللّٰہَ مَا لَکُمۡ مِّنۡ اِلٰہٍ غَیۡرُہٗ ؕ قَدۡ جَآءَتۡکُمۡ بَیِّنَۃٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَوۡفُوا الۡکَیۡلَ وَ الۡمِیۡزَانَ وَ لَا تَبۡخَسُوا النَّاسَ اَشۡیَآءَہُمۡ وَ لَا تُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ بَعۡدَ اِصۡلَاحِہَا ؕ ذٰلِکُمۡ خَیۡرٌ لَّکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ مُّؤۡمِنِیۡنَ ﴿ۚ۸۵﴾
007.085 Wa-ila madyana akhahum shuAAayban qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum faawfoo alkayla waalmeezana wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum wala tufsidoo fee al-ardi baAAda islahiha thalikum khayrun lakum in kuntum mu/mineena
7:85 En tot het volk Midian (zonden Wij) Shoe'aib. Hij zei: "O mijn Volk! Aanbidt Allah, er is voor jullie geen enkel andere deïteit dan Hij. Waarlijk, er is een duidelijke bewijs van jullie Heer tot jullie gekomen. Dus geef de volledigheid in maat en gewicht en beroof geen mensen van hun dingen en zaai geen verderf op aarde na zijn hervorming (door Allah's boodschap). Dat is beter voor jullie als jullie geloven." (Notitie: Midian is een volk dat in het noordwesten van Arabië leefde.)

وَ لَا تَقۡعُدُوۡا بِکُلِّ صِرَاطٍ تُوۡعِدُوۡنَ وَ تَصُدُّوۡنَ عَنۡ سَبِیۡلِ اللّٰہِ مَنۡ اٰمَنَ بِہٖ وَ تَبۡغُوۡنَہَا عِوَجًا ۚ وَ اذۡکُرُوۡۤا اِذۡ کُنۡتُمۡ قَلِیۡلًا فَکَثَّرَکُمۡ ۪ وَ انۡظُرُوۡا کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۸۶﴾
007.086 Wala taqAAudoo bikulli siratin tooAAidoona watasuddoona AAan sabeeli Allahi man amana bihi watabghoonaha AAiwajan waothkuroo ith kuntum qaleelan fakaththarakum waonthuroo kayfa kana AAaqibatu almufsideena
7:86 "En zit niet op elke pad, die de geloven bewandelen voor (het vinden van) Allah, te dreigen en te verhinderen, zoekend om het krom te maken. Gedenk toen jullie met zijn weinigen waren, en dat Hij jullie heeft doen toenemen. En zie hoe het einde was van de misdadigers."

وَ اِنۡ کَانَ طَآئِفَۃٌ مِّنۡکُمۡ اٰمَنُوۡا بِالَّذِیۡۤ اُرۡسِلۡتُ بِہٖ وَ طَآئِفَۃٌ لَّمۡ یُؤۡمِنُوۡا فَاصۡبِرُوۡا حَتّٰی یَحۡکُمَ اللّٰہُ بَیۡنَنَا ۚ وَ ہُوَ خَیۡرُ الۡحٰکِمِیۡنَ ﴿۸۷﴾
007.087 Wa-in kana ta-ifatun minkum amanoo biallathee orsiltu bihi wata-ifatun lam yu/minoo faisbiroo hatta yahkuma Allahu baynana wahuwa khayru alhakimeena
7:87 En als er een groep van jullie is, die gelooft in hetgeen waarmee ik gezonden ben, en een ander groep die er niet in gelooft, wees dan (beide) geduldig totdat Allah tussen ons oordeelt. En Hij is de Hakiem" (De enige echte rechter en levert altijd gerechtigheid voor elke situatie).

قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ اسۡتَکۡبَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لَنُخۡرِجَنَّکَ یٰشُعَیۡبُ وَ الَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا مَعَکَ مِنۡ قَرۡیَتِنَاۤ اَوۡ لَتَعُوۡدُنَّ فِیۡ مِلَّتِنَا ؕ قَالَ اَوَ لَوۡ کُنَّا کٰرِہِیۡنَ ﴿۟۸۸﴾
007.088 Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lanukhrijannaka ya shuAAaybu waallatheena amanoo maAAaka min qaryatina aw lataAAoodunna fee millatina qala awa law kunna kariheena
7:88 De hoogmoedige leiders van zijn volk zeiden: "O Shoe'aib en degenen die met jou geloven! Wij zullen jullie zeker uit onze stad verdrijven! Of anders moeten jullie terugkeren naar onze levenswijze." Hij zei: "Zelfs als wij er enorme afkeer van (jullie daden) hebben?"

قَدِ افۡتَرَیۡنَا عَلَی اللّٰہِ کَذِبًا اِنۡ عُدۡنَا فِیۡ مِلَّتِکُمۡ بَعۡدَ اِذۡ نَجّٰنَا اللّٰہُ مِنۡہَا ؕ وَ مَا یَکُوۡنُ لَنَاۤ اَنۡ نَّعُوۡدَ فِیۡہَاۤ اِلَّاۤ اَنۡ یَّشَآءَ اللّٰہُ رَبُّنَا ؕ وَسِعَ رَبُّنَا کُلَّ شَیۡءٍ عِلۡمًا ؕ عَلَی اللّٰہِ تَوَکَّلۡنَا ؕ رَبَّنَا افۡتَحۡ بَیۡنَنَا وَ بَیۡنَ قَوۡمِنَا بِالۡحَقِّ وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡفٰتِحِیۡنَ ﴿۸۹﴾
007.089 Qadi iftarayna AAala Allahi kathiban in AAudna fee millatikum baAAda ith najjana Allahu minha wama yakoonu lana an naAAooda feeha illa an yashaa Allahu rabbuna wasiAAa rabbuna kulla shay-in AAilman AAala Allahi tawakkalna rabbana iftah baynana wabayna qawmina bialhaqqi waanta khayru alfatiheena
7:89 "Voorzeker, als wij terugkeren naar jullie levenswijze, dan zouden we een leugen moeten verzinnen tegen Allah, nadat Hij ons ervan gered heeft. En het (de keuze) is niet aan ons om terugkeren, behalve als Allah, onze Heer, het wilt. Onze Heer omvat alles in kennis. Op Allah alleen zetten we onze vertrouwen. Onze Heer, beslis tussen ons en onze volk in waarheid! U bent de beste der rechters.

وَ قَالَ الۡمَلَاُ الَّذِیۡنَ کَفَرُوۡا مِنۡ قَوۡمِہٖ لَئِنِ اتَّبَعۡتُمۡ شُعَیۡبًا اِنَّکُمۡ اِذًا لَّخٰسِرُوۡنَ ﴿۹۰﴾
007.090 Waqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi la-ini ittabaAAtum shuAAayban innakum ithan lakhasiroona
7:90 En de ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Als jullie Shoe'aib volgen, dan zullen jullie zeker verliezen!"

فَاَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ فَاَصۡبَحُوۡا فِیۡ دَارِہِمۡ جٰثِمِیۡنَ ﴿ۚۖۛ۹۱﴾
007.091 Faakhathat-humu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena
7:91 Toen greep de aardbeving hen en ze vielen dood neer, uitgestrekt in hun huizen.

الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا شُعَیۡبًا کَاَنۡ لَّمۡ یَغۡنَوۡا فِیۡہَا ۚۛ اَلَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا شُعَیۡبًا کَانُوۡا ہُمُ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۹۲﴾
007.092 Allatheena kaththaboo shuAAayban kaan lam yaghnaw feeha allatheena kaththaboo shuAAayban kanoo humu alkhasireena
7:92 Het was net als of degenen, die Shoe'aib verwierpen, er niet op (de aarde) geleefd hadden. Degenen die Shoe'aib verwierpen, waren dus de verliezers.

فَتَوَلّٰی عَنۡہُمۡ وَ قَالَ یٰقَوۡمِ لَقَدۡ اَبۡلَغۡتُکُمۡ رِسٰلٰتِ رَبِّیۡ وَ نَصَحۡتُ لَکُمۡ ۚ فَکَیۡفَ اٰسٰی عَلٰی قَوۡمٍ کٰفِرِیۡنَ ﴿٪۹۳﴾
007.093 Fatawalla AAanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalati rabbee wanasahtu lakum fakayfa asa AAala qawmin kafireena
7:93 Hij (Shoe'aib) ging weg van hen en zei: "O mijn volk! Waarlijk, ik heb aan jullie de boodschap van mijn Heer verkondigd en ermee geadviseerd. Hoe kan ik dan verdrietig zijn voor mensen die niet geloven?"

وَ مَاۤ اَرۡسَلۡنَا فِیۡ قَرۡیَۃٍ مِّنۡ نَّبِیٍّ اِلَّاۤ اَخَذۡنَاۤ اَہۡلَہَا بِالۡبَاۡسَآءِ وَ الضَّرَّآءِ لَعَلَّہُمۡ یَضَّرَّعُوۡنَ ﴿۹۴﴾
007.094 Wama arsalna fee qaryatin min nabiyyin illa akhathna ahlaha bialba/sa-i waalddarra-i laAAallahum yaddarraAAoona
7:94 En wanneer Wij een profeet zonden naar een stad, dan grepen Wij hen met tegenspoed en moeilijkheden, zodat ze nederig konden worden. (Notitie: zie ook 35:24)

ثُمَّ بَدَّلۡنَا مَکَانَ السَّیِّئَۃِ الۡحَسَنَۃَ حَتّٰی عَفَوۡا وَّ قَالُوۡا قَدۡ مَسَّ اٰبَآءَنَا الضَّرَّآءُ وَ السَّرَّآءُ فَاَخَذۡنٰہُمۡ بَغۡتَۃً وَّ ہُمۡ لَا یَشۡعُرُوۡنَ ﴿۹۵﴾
007.095 Thumma baddalna makana alssayyi-ati alhasanata hatta AAafaw waqaloo qad massa abaana alddarrao waalssarrao faakhathnahum baghtatan wahum la yashAAuroona
7:95 Vervolgens, vervingen Wij het slechte door het goede totdat ze toenamen (in aantal en in rijkdom) en ze zeiden:" Voorzeker, onze voorvaders hadden ook tegenspoed en voorspoed meegemaakt." (Notitie: En ze vielen dus terug in het patroon van ongeloof) Dus grepen Wij hen plotseling, terwijl ze het niet zagen aankomen.

وَ لَوۡ اَنَّ اَہۡلَ الۡقُرٰۤی اٰمَنُوۡا وَ اتَّقَوۡا لَفَتَحۡنَا عَلَیۡہِمۡ بَرَکٰتٍ مِّنَ السَّمَآءِ وَ الۡاَرۡضِ وَ لٰکِنۡ کَذَّبُوۡا فَاَخَذۡنٰہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَکۡسِبُوۡنَ ﴿۹۶﴾
007.096 Walaw anna ahla alqura amanoo waittaqaw lafatahna AAalayhim barakatin mina alssama-i waal-ardi walakin kaththaboo faakhathnahum bima kanoo yaksiboona
7:96 En als de mensen van steden hadden geloofd en Allah hadden gevreesd, dan hadden Wij voor hen zeker de zegeningen van de hemel en aarde geopend. Echter ze verwerpen (de tekenen) van Allah, dus grepen Wij hen voor wat ze verdiend hebben.

اَفَاَمِنَ اَہۡلُ الۡقُرٰۤی اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ بَاۡسُنَا بَیَاتًا وَّ ہُمۡ نَآئِمُوۡنَ ﴿ؕ۹۷﴾
007.097 Afaamina ahlu alqura an ya/tiyahum ba/suna bayatan wahum na-imoona
7:97 Voelden de mensen van de steden zich veilig terwijl Onze straf 's nacht kwam toen ze sliepen?

اَوَ اَمِنَ اَہۡلُ الۡقُرٰۤی اَنۡ یَّاۡتِیَہُمۡ بَاۡسُنَا ضُحًی وَّ ہُمۡ یَلۡعَبُوۡنَ ﴿۹۸﴾
007.098 Awa amina ahlu alqura an ya/tiyahum ba/suna duhan wahum yalAAaboona
7:98 Of voelden de mensen van de steden zich veilig terwijl Onze straf overdag kwam toen ze speelden?

اَفَاَمِنُوۡا مَکۡرَ اللّٰہِ ۚ فَلَا یَاۡمَنُ مَکۡرَ اللّٰہِ اِلَّا الۡقَوۡمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿٪۹۹﴾
007.099 Afaaminoo makra Allahi fala ya/manu makra Allahi illa alqawmu alkhasiroona
7:99 Voelden ze dan zich veilig voor Allah's plan? Niemand voelt zich veilig voor Allah's plan, behalve de verliezers.

اَوَ لَمۡ یَہۡدِ لِلَّذِیۡنَ یَرِثُوۡنَ الۡاَرۡضَ مِنۡۢ بَعۡدِ اَہۡلِہَاۤ اَنۡ لَّوۡ نَشَآءُ اَصَبۡنٰہُمۡ بِذُنُوۡبِہِمۡ ۚ وَ نَطۡبَعُ عَلٰی قُلُوۡبِہِمۡ فَہُمۡ لَا یَسۡمَعُوۡنَ ﴿۱۰۰﴾
007.100 Awa lam yahdi lillatheena yarithoona al-arda min baAAdi ahliha an law nashao asabnahum bithunoobihim wanatbaAAu AAala quloobihim fahum la yasmaAAoona
7:100 Is het niet duidelijk geworden, voor de mensen die de aarde erven, dat als Wij het willen dan kunnen Wij hen treffen voor hun zonden of dat Wij een zegel op hun harten kunnen plaatsen, zodat ze niet begrijpen.

تِلۡکَ الۡقُرٰی نَقُصُّ عَلَیۡکَ مِنۡ اَنۡۢبَآئِہَا ۚ وَ لَقَدۡ جَآءَتۡہُمۡ رُسُلُہُمۡ بِالۡبَیِّنٰتِ ۚ فَمَا کَانُوۡا لِیُؤۡمِنُوۡا بِمَا کَذَّبُوۡا مِنۡ قَبۡلُ ؕ کَذٰلِکَ یَطۡبَعُ اللّٰہُ عَلٰی قُلُوۡبِ الۡکٰفِرِیۡنَ ﴿۱۰۱﴾
007.101 Tilka alqura naqussu AAalayka min anba-iha walaqad jaat-hum rusuluhum bialbayyinati fama kanoo liyu/minoo bima kaththaboo min qablu kathalika yatbaAAu Allahu AAala quloobi alkafireena
7:101 Dit waren de steden, Wij verkondigen de gebeurtenissen ervan aan jou (Mohammed). En zonder enige twijfel, hun boodschappers kwamen met duidelijke bewijzen, echter ze geloofden er niet in. Daarom plaatste Allah een zegel op de harten van de ongelovigen.

وَ مَا وَجَدۡنَا لِاَکۡثَرِہِمۡ مِّنۡ عَہۡدٍ ۚ وَ اِنۡ وَّجَدۡنَاۤ اَکۡثَرَہُمۡ لَفٰسِقِیۡنَ ﴿۱۰۲﴾
007.102 Wama wajadna li-aktharihim min AAahdin wa-in wajadna aktharahum lafasiqeena
7:102 En Wij troffen voor de meeste van hen geen enkel verbond aan (dat aan gegaan was met Allah). Echter wat Wij aantroffen was provocerende ongehoorzaamheid.

ثُمَّ بَعَثۡنَا مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ مُّوۡسٰی بِاٰیٰتِنَاۤ اِلٰی فِرۡعَوۡنَ وَ مَلَا۠ئِہٖ فَظَلَمُوۡا بِہَا ۚ فَانۡظُرۡ کَیۡفَ کَانَ عَاقِبَۃُ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۱۰۳﴾
007.103 Thumma baAAathna min baAAdihim moosa bi-ayatina ila firAAawna wamala-ihi fathalamoo biha faonuthur kayfa kana AAaqibatu almufsideena
7:103 Na hen (de voorgaande boodschappers), zonden Wij Moesa (Mozes) met Onze tekenen naar Farao en zijn ministers. Echter ze (Farao en zijn ministers) waren onrechtvaardig tegen hen (Moesa en Haroen). Zie dan hoe het einde was van de misdadigers.

وَ قَالَ مُوۡسٰی یٰفِرۡعَوۡنُ اِنِّیۡ رَسُوۡلٌ مِّنۡ رَّبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۰۴﴾ۙ
007.104 Waqala moosa ya firAAawnu innee rasoolun min rabbi alAAalameena
7:104 En Moesa zei: "O Farao! Voorzeker, Ik ben een boodschapper van de Heer der werelden."

حَقِیۡقٌ عَلٰۤی اَنۡ لَّاۤ اَقُوۡلَ عَلَی اللّٰہِ اِلَّا الۡحَقَّ ؕ قَدۡ جِئۡتُکُمۡ بِبَیِّنَۃٍ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ فَاَرۡسِلۡ مَعِیَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۱۰۵﴾ؕ
007.105 Haqeequn AAala an la aqoola AAala Allahi illa alhaqqa qad ji/tukum bibayyinatin min rabbikum faarsil maAAiya banee isra-eela
7:105 "Het is mij geboden om niets anders dan de waarheid over Allah te zeggen. Waarlijk, ik ben tot jou met een duidelijke teken van jouw Heer gekomen. Dus geef mij de kinderen van Israël."

قَالَ اِنۡ کُنۡتَ جِئۡتَ بِاٰیَۃٍ فَاۡتِ بِہَاۤ اِنۡ کُنۡتَ مِنَ الصّٰدِقِیۡنَ ﴿۱۰۶﴾
007.106 Qala in kunta ji/ta bi-ayatin fa/ti biha in kunta mina alssadiqeena
7:106 Hij (Farao) zei: "Als jij met een teken bent gekomen, breng het dan, als jij de waarheid spreekt!"

فَاَلۡقٰی عَصَاہُ فَاِذَا ہِیَ ثُعۡبَانٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۰۷﴾ۚۖ
007.107 Faalqa AAasahu fa-itha hiya thuAAbanun mubeenun
7:107 Dus wierp hij (Moesa) zijn staf en het werd direct een echte slang.

وَّ نَزَعَ یَدَہٗ فَاِذَا ہِیَ بَیۡضَآءُ لِلنّٰظِرِیۡنَ ﴿۱۰۸﴾٪
007.108 WanazaAAa yadahu fa-itha hiya baydao lilnnathireena
7:108 En hij (Moesa) liet zijn hand zien en het werd direct wit voor de toeschouwers.

قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِ فِرۡعَوۡنَ اِنَّ ہٰذَا لَسٰحِرٌ عَلِیۡمٌ ﴿۱۰۹﴾ۙ
007.109 Qala almalao min qawmi firAAawna inna hatha lasahirun AAaleemun
7:109 De leiders van Farao's mensen zeiden: "Voorzeker, dit is zeker een zeer goede tovenaar."

یُّرِیۡدُ اَنۡ یُّخۡرِجَکُمۡ مِّنۡ اَرۡضِکُمۡ ۚ فَمَا ذَا تَاۡمُرُوۡنَ ﴿۱۱۰﴾
007.110 Yureedu an yukhrijakum min ardikum famatha ta/muroona
7:110 (De Farao zei:) "Hij wilt ons uit ons land verdrijven! Wat is jullie advies?"

قَالُوۡۤا اَرۡجِہۡ وَ اَخَاہُ وَ اَرۡسِلۡ فِی الۡمَدَآئِنِ حٰشِرِیۡنَ ﴿۱۱۱﴾ۙ
007.111 Qaloo arjih waakhahu waarsil fee almada-ini hashireena
7:111 Ze zeiden: "Verleen hem en zijn broer uitstel. En stuur naar de steden oproepers."

یَاۡتُوۡکَ بِکُلِّ سٰحِرٍ عَلِیۡمٍ ﴿۱۱۲﴾
007.112 Ya/tooka bikulli sahirin AAaleemin
7:112 "Ze zullen dan elke waardige tovenaar tot jou brengen."

وَ جَآءَ السَّحَرَۃُ فِرۡعَوۡنَ قَالُوۡۤا اِنَّ لَنَا لَاَجۡرًا اِنۡ کُنَّا نَحۡنُ الۡغٰلِبِیۡنَ ﴿۱۱۳﴾
007.113 Wajaa alssaharatu firAAawna qaloo inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena
7:113 En de tovenaars kwamen tot Farao. Ze zeiden: "Is er voor ons daadwerkelijk een beloning, als wij de winnaars zijn?"

قَالَ نَعَمۡ وَ اِنَّکُمۡ لَمِنَ الۡمُقَرَّبِیۡنَ ﴿۱۱۴﴾
007.114 Qala naAAam wa-innakum lamina almuqarrabeena
7:114 Hij (Farao) zei: "Ja, en voorzeker, jullie zullen zeker behoren tot degenen die dichtbij me zijn."

قَالُوۡا یٰمُوۡسٰۤی اِمَّاۤ اَنۡ تُلۡقِیَ وَ اِمَّاۤ اَنۡ نَّکُوۡنَ نَحۡنُ الۡمُلۡقِیۡنَ ﴿۱۱۵﴾
007.115 Qaloo ya moosa imma an tulqiya wa-imma an nakoona nahnu almulqeena
7:115 Ze zeiden: "O Moesa! Gooi jij eerst of moeten wij eerst gooien?"

قَالَ اَلۡقُوۡا ۚ فَلَمَّاۤ اَلۡقَوۡا سَحَرُوۡۤا اَعۡیُنَ النَّاسِ وَ اسۡتَرۡہَبُوۡہُمۡ وَ جَآءُوۡ بِسِحۡرٍ عَظِیۡمٍ ﴿۱۱۶﴾
007.116 Qala alqoo falamma alqaw saharoo aAAyuna alnnasi waistarhaboohum wajaoo bisihrin AAatheemin
7:116 Hij (Moesa) zei: "Gooi maar!" Nadat ze dus gooiden, betoverden ze de ogen van de mensen en maakten ze hen bang. En ze voerde een geweldige magische show uit.

وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اَنۡ اَلۡقِ عَصَاکَ ۚ فَاِذَا ہِیَ تَلۡقَفُ مَا یَاۡفِکُوۡنَ ﴿۱۱۷﴾ۚ
007.117 Waawhayna ila moosa an alqi AAasaka fa-itha hiya talqafu ma ya/fikoona
7:117 En Wij inspireerde Moesa: "Werp jouw staf!" En (werd het een slang en) slikte het direct, wat ze aan valsheid gemaakt hadden, op.

فَوَقَعَ الۡحَقُّ وَ بَطَلَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۱۸﴾ۚ
007.118 FawaqaAAa alhaqqu wabatala ma kanoo yaAAmaloona
7:118 Dus werd de waarheid tot stand gebracht en wat ze (de tovenaars) deden, had geen invloed meer.

فَغُلِبُوۡا ہُنَالِکَ وَ انۡقَلَبُوۡا صٰغِرِیۡنَ ﴿۱۱۹﴾ۚ
007.119 Faghuliboo hunalika wainqalaboo saghireena
7:119 Ze waren dus ter plekke verslagen en keerden vernederd terug.

وَ اُلۡقِیَ السَّحَرَۃُ سٰجِدِیۡنَ ﴿۱۲۰﴾ۚۖ
007.120 Waolqiya alssaharatu sajideena
7:120 En de tovenaars prostreerde zich.

قَالُوۡۤا اٰمَنَّا بِرَبِّ الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۲۱﴾ۙ
007.121 Qaloo amanna birabbi alAAalameena
7:121 Ze zeiden: "Wij geloven in de Heer van de Werelden!"

رَبِّ مُوۡسٰی وَ ہٰرُوۡنَ ﴿۱۲۲﴾
007.122 Rabbi moosa waharoona
7:122 "De Heer van Moesa en Haroen."

قَالَ فِرۡعَوۡنُ اٰمَنۡتُمۡ بِہٖ قَبۡلَ اَنۡ اٰذَنَ لَکُمۡ ۚ اِنَّ ہٰذَا لَمَکۡرٌ مَّکَرۡتُمُوۡہُ فِی الۡمَدِیۡنَۃِ لِتُخۡرِجُوۡا مِنۡہَاۤ اَہۡلَہَا ۚ فَسَوۡفَ تَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۲۳﴾
007.123 Qala firAAawnu amantum bihi qabla an athana lakum inna hatha lamakrun makartumoohu fee almadeenati litukhrijoo minha ahlaha fasawfa taAAlamoona
7:123 Farao zei: "Geloven jullie in Hem, voordat ik jullie toestemming heb gegeven? Voorzeker, dit is zeker een complot, die jij (Moesa) in de stad hebt verspreid, zodat jij de mensen eruit kan drijven. Echter spoedig zal jij te weten komen."

لَاُقَطِّعَنَّ اَیۡدِیَکُمۡ وَ اَرۡجُلَکُمۡ مِّنۡ خِلَافٍ ثُمَّ لَاُصَلِّبَنَّکُمۡ اَجۡمَعِیۡنَ ﴿۱۲۴﴾
007.124 LaoqatiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin thumma laosallibannakum ajmaAAeena
7:124 "Ik zal zeker jullie handen en voeten kruisgewijs afhakken. Vervolgens zal ik jullie allen kruisigen!"

قَالُوۡۤا اِنَّاۤ اِلٰی رَبِّنَا مُنۡقَلِبُوۡنَ ﴿۱۲۵﴾ۚ
007.125 Qaloo inna ila rabbina munqaliboona
7:125 Ze (de tovenaars) zeiden: "Voorzeker, tot onze Heer keren wij terug."

وَ مَا تَنۡقِمُ مِنَّاۤ اِلَّاۤ اَنۡ اٰمَنَّا بِاٰیٰتِ رَبِّنَا لَمَّا جَآءَتۡنَا ؕ رَبَّنَاۤ اَفۡرِغۡ عَلَیۡنَا صَبۡرًا وَّ تَوَفَّنَا مُسۡلِمِیۡنَ ﴿۱۲۶﴾٪
007.126 Wama tanqimu minna illa an amanna bi-ayati rabbina lamma jaatna rabbana afrigh AAalayna sabran watawaffana muslimeena
7:126 En jij neemt alleen wraak op ons, omdat we in de tekenen van onze Heer geloven toen die tot ons kwam. Onze Heer! Schenk ons geduld en laat ons sterven als Moslims (iemand die zich overgegeven heeft)."

وَ قَالَ الۡمَلَاُ مِنۡ قَوۡمِ فِرۡعَوۡنَ اَتَذَرُ مُوۡسٰی وَ قَوۡمَہٗ لِیُفۡسِدُوۡا فِی الۡاَرۡضِ وَ یَذَرَکَ وَ اٰلِہَتَکَ ؕ قَالَ سَنُقَتِّلُ اَبۡنَآءَہُمۡ وَ نَسۡتَحۡیٖ نِسَآءَہُمۡ ۚ وَ اِنَّا فَوۡقَہُمۡ قٰہِرُوۡنَ ﴿۱۲۷﴾
007.127 Waqala almalao min qawmi firAAawna atatharu moosa waqawmahu liyufsidoo fee al-ardi wayatharaka waalihataka qala sanuqattilu abnaahum wanastahyee nisaahum wa-inna fawqahum qahiroona
7:127 En de leiders van Farao's mensen zeiden: "Zal jij Moesa en zijn volk vrijlaten, zodat ze verderf op aarde zullen zaaien, door het verlaten van jou en jouw goden? Hij zei: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen laten leven. En voorzeker, wij zijn de bezetters,onderdrukkers,machthebbers over hen."

قَالَ مُوۡسٰی لِقَوۡمِہِ اسۡتَعِیۡنُوۡا بِاللّٰہِ وَ اصۡبِرُوۡا ۚ اِنَّ الۡاَرۡضَ لِلّٰہِ ۟ۙ یُوۡرِثُہَا مَنۡ یَّشَآءُ مِنۡ عِبَادِہٖ ؕ وَ الۡعَاقِبَۃُ لِلۡمُتَّقِیۡنَ ﴿۱۲۸﴾
007.128 Qala moosa liqawmihi istaAAeenoo biAllahi waisbiroo inna al-arda lillahi yoorithuha man yashao min AAibadihi waalAAaqibatu lilmuttaqeena
7:128 Moesa zei tot zijn volk: "Zoek hulp bij Allah en wees geduldig. Voorzeker, de aarde is van Allah. Hij laat het erven door wie van zijn dienaren Hij wilt. En het goede einde is voor de Moettaqoens (2:2).

قَالُوۡۤا اُوۡذِیۡنَا مِنۡ قَبۡلِ اَنۡ تَاۡتِیَنَا وَ مِنۡۢ بَعۡدِ مَا جِئۡتَنَا ؕ قَالَ عَسٰی رَبُّکُمۡ اَنۡ یُّہۡلِکَ عَدُوَّکُمۡ وَ یَسۡتَخۡلِفَکُمۡ فِی الۡاَرۡضِ فَیَنۡظُرَ کَیۡفَ تَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۲۹﴾٪
007.129 Qaloo ootheena min qabli an ta/tiyana wamin baAAdi ma ji/tana qala AAasa rabbukum an yuhlika AAaduwwakum wayastakhlifakum fee al-ardi fayanthura kayfa taAAmaloona
7:129 Ze zeiden: "Wij zijn mishandelt (door hen) voordat jij (Moesa) tot ons kwam en wij zijn mishandelt (door hen) nadat jij tot ons kwam. Hij zei: "Hopelijk zal jullie Heer jullie vijanden vernietigen en jullie als opvolgers (van generaties) op de aarde maken, om te zien hoe jullie het doen.

وَ لَقَدۡ اَخَذۡنَاۤ اٰلَ فِرۡعَوۡنَ بِالسِّنِیۡنَ وَ نَقۡصٍ مِّنَ الثَّمَرٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَذَّکَّرُوۡنَ ﴿۱۳۰﴾
007.130 Walaqad akhathna ala firAAawna bialssineena wanaqsin mina alththamarati laAAallahum yaththakkaroona
7:130 En voorzeker, Wij grepen het volk van Farao met jaren van hongersnood en een tekort aan fruit/oogst, zodat ze zich konden vermanen.

فَاِذَا جَآءَتۡہُمُ الۡحَسَنَۃُ قَالُوۡا لَنَا ہٰذِہٖ ۚ وَ اِنۡ تُصِبۡہُمۡ سَیِّئَۃٌ یَّطَّیَّرُوۡا بِمُوۡسٰی وَ مَنۡ مَّعَہٗ ؕ اَلَاۤ اِنَّمَا طٰٓئِرُہُمۡ عِنۡدَ اللّٰہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَہُمۡ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۳۱﴾
007.131 Fa-itha jaat-humu alhasanatu qaloo lana hathihi wa-in tusibhum sayyi-atun yattayyaroo bimoosa waman maAAahu ala innama ta-iruhum AAinda Allahi walakinna aktharahum la yaAAlamoona
7:131 Echter wanneer tot hen het goede kwam, zeiden ze: "Dit komt door ons." En wanneer het slechte hen trof, schreven ze het toe aan Moesa en zijn volgelingen. Aanschouw! Hun tegenspoed ligt slechts bij Allah alleen, maar de meesten van hen weten het niet.

وَ قَالُوۡا مَہۡمَا تَاۡتِنَا بِہٖ مِنۡ اٰیَۃٍ لِّتَسۡحَرَنَا بِہَا ۙ فَمَا نَحۡنُ لَکَ بِمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۳۲﴾
007.132 Waqaloo mahma ta/tina bihi min ayatin litasharana biha fama nahnu laka bimu/mineena
7:132 En ze zeiden: "Wat voor teken je dan ook voor ons brengt, om ons ermee te betoveren, we zullen niet in je geloven."

فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الطُّوۡفَانَ وَ الۡجَرَادَ وَ الۡقُمَّلَ وَ الضَّفَادِعَ وَ الدَّمَ اٰیٰتٍ مُّفَصَّلٰتٍ ۟ فَاسۡتَکۡبَرُوۡا وَ کَانُوۡا قَوۡمًا مُّجۡرِمِیۡنَ ﴿۱۳۳﴾
007.133 Faarsalna AAalayhimu alttoofana waaljarada waalqummala waalddafadiAAa waalddama ayatin mufassalatin faistakbaroo wakanoo qawman mujrimeena
7:133 Dus zonden Wij op hun als grote tekenen de overstroming, de sprinkhanenplaag, de luizenplaag, de kikkerplaag en het bloed. Ondanks deze (tekenen) toonden ze hoogmoed en ze waren een zeer misdadig volk.

وَ لَمَّا وَقَعَ عَلَیۡہِمُ الرِّجۡزُ قَالُوۡا یٰمُوۡسَی ادۡعُ لَنَا رَبَّکَ بِمَا عَہِدَ عِنۡدَکَ ۚ لَئِنۡ کَشَفۡتَ عَنَّا الرِّجۡزَ لَنُؤۡمِنَنَّ لَکَ وَ لَنُرۡسِلَنَّ مَعَکَ بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ﴿۱۳۴﴾ۚ
007.134 Walamma waqaAAa AAalayhimu alrrijzu qaloo ya moosa odAAu lana rabbaka bima AAahida AAindaka la-in kashafta AAanna alrrijza lanu/minanna laka walanursilanna maAAaka banee isra-eela
7:134 En toen de straf (de plagen) op hen viel, zeiden ze: "O Moesa! Roep voor ons jou Heer aan door middel van jouw verbond met Hem. Als je de straf van ons verwijdert, dan zullen we je zeker geloven en we zullen de kinderen van Israël met jou laten gaan."

فَلَمَّا کَشَفۡنَا عَنۡہُمُ الرِّجۡزَ اِلٰۤی اَجَلٍ ہُمۡ بٰلِغُوۡہُ اِذَا ہُمۡ یَنۡکُثُوۡنَ ﴿۱۳۵﴾
007.135 Falamma kashafna AAanhumu alrrijza ila ajalin hum balighoohu itha hum yankuthoona
7:135 Echter, toen Wij na een periode, die ze moesten uitzitten, de straf voor hen hadden verwijderd, verbraken ze hun woord.

فَانۡتَقَمۡنَا مِنۡہُمۡ فَاَغۡرَقۡنٰہُمۡ فِی الۡیَمِّ بِاَنَّہُمۡ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا عَنۡہَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۱۳۶﴾
007.136 Faintaqamna minhum faaghraqnahum fee alyammi bi-annahum kaththaboo bi-ayatina wakanoo AAanha ghafileena
7:136 Dus vergolden Wij hen. Wij verdronken hen in de zee, omdat ze Onze tekenen verwierpen en ze waren er achteloos over.

وَ اَوۡرَثۡنَا الۡقَوۡمَ الَّذِیۡنَ کَانُوۡا یُسۡتَضۡعَفُوۡنَ مَشَارِقَ الۡاَرۡضِ وَ مَغَارِبَہَا الَّتِیۡ بٰرَکۡنَا فِیۡہَا ؕ وَ تَمَّتۡ کَلِمَتُ رَبِّکَ الۡحُسۡنٰی عَلٰی بَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ ۬ۙ بِمَا صَبَرُوۡا ؕ وَ دَمَّرۡنَا مَا کَانَ یَصۡنَعُ فِرۡعَوۡنُ وَ قَوۡمُہٗ وَ مَا کَانُوۡا یَعۡرِشُوۡنَ ﴿۱۳۷﴾
007.137 Waawrathna alqawma allatheena kanoo yustadAAafoona mashariqa al-ardi wamagharibaha allatee barakna feeha watammat kalimatu rabbika alhusna AAala banee isra-eela bima sabaroo wadammarna ma kana yasnaAAu firAAawnu waqawmuhu wama kanoo yaAArishoona
7:137 En Wij maakten degenen die als zwak werden gezien erfgenamen van het oostelijke deel en het westelijke deel van het land, welke Wij zegenden. Het woord van jouw Heer werd de waarheid, het beste voor de kinderen van Israël omdat ze geduldig waren. En Wij vernietigden datgeen wat Farao en zijn mensen gemaakt en gebouwd hadden. (Notitie: het gedeelte wat gezegend is Sham, 17:1)

وَ جٰوَزۡنَا بِبَنِیۡۤ اِسۡرَآءِیۡلَ الۡبَحۡرَ فَاَتَوۡا عَلٰی قَوۡمٍ یَّعۡکُفُوۡنَ عَلٰۤی اَصۡنَامٍ لَّہُمۡ ۚ قَالُوۡا یٰمُوۡسَی اجۡعَلۡ لَّنَاۤ اِلٰـہًا کَمَا لَہُمۡ اٰلِـہَۃٌ ؕ قَالَ اِنَّکُمۡ قَوۡمٌ تَجۡہَلُوۡنَ ﴿۱۳۸﴾
007.138 Wajawazna bibanee isra-eela albahra faataw AAala qawmin yaAAkufoona AAala asnamin lahum qaloo ya moosa ijAAal lana ilahan kama lahum alihatun qala innakum qawmun tajhaloona
7:138 En Wij leiden de kinderen van Israël dwars door de zee. Vervolgens kwamen ze tot een volk dat toegewijd was aan het aanbidden van hun beelden. Ze (Israëlers) zeiden: O Moesa! Maak voor ons een god net zoals zij goden hebben. Hij zei: "Voorzeker, jullie zijn een volk zonder verstand."

اِنَّ ہٰۤؤُلَآءِ مُتَبَّرٌ مَّا ہُمۡ فِیۡہِ وَ بٰطِلٌ مَّا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۳۹﴾
007.139 Inna haola-i mutabbarun ma hum feehi wabatilun ma kanoo yaAAmaloona
7:139 "Voorwaar, deze mensen zullen vernietigd worden voor wat ze doen. En het is nutteloos wat ze doen."

قَالَ اَغَیۡرَ اللّٰہِ اَبۡغِیۡکُمۡ اِلٰـہًا وَّ ہُوَ فَضَّلَکُمۡ عَلَی الۡعٰلَمِیۡنَ ﴿۱۴۰﴾
007.140 Qala aghayra Allahi abgheekum ilahan wahuwa faddalakum AAala alAAalameena
7:140 Hij zei: "Moet ik een andere deïteit zoeken voor jullie dan Allah, terwijl Hij jullie uitverkoren heeft boven de anderen (mensen) van de werelden?"

وَ اِذۡ اَنۡجَیۡنٰکُمۡ مِّنۡ اٰلِ فِرۡعَوۡنَ یَسُوۡمُوۡنَکُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ ۚ یُقَتِّلُوۡنَ اَبۡنَآءَکُمۡ وَ یَسۡتَحۡیُوۡنَ نِسَآءَکُمۡ ؕ وَ فِیۡ ذٰلِکُمۡ بَلَآءٌ مِّنۡ رَّبِّکُمۡ عَظِیۡمٌ ﴿۱۴۱﴾٪
007.141 Wa-ith anjaynakum min ali firAAawna yasoomoonakum soo-a alAAathabi yuqattiloona abnaakum wayastahyoona nisaakum wafee thalikum balaon min rabbikum AAatheemun
7:141 "En (gedenk) toen Wij (Allah) jullie redden van de Farao's mensen, die jullie de ergste mishandeling toebrachten. Ze doden jullie zonen en lieten jullie dochters leven. Daarin was een grote beproeving van jullie Heer."

وَ وٰعَدۡنَا مُوۡسٰی ثَلٰثِیۡنَ لَیۡلَۃً وَّ اَتۡمَمۡنٰہَا بِعَشۡرٍ فَتَمَّ مِیۡقَاتُ رَبِّہٖۤ اَرۡبَعِیۡنَ لَیۡلَۃً ۚ وَ قَالَ مُوۡسٰی لِاَخِیۡہِ ہٰرُوۡنَ اخۡلُفۡنِیۡ فِیۡ قَوۡمِیۡ وَ اَصۡلِحۡ وَ لَا تَتَّبِعۡ سَبِیۡلَ الۡمُفۡسِدِیۡنَ ﴿۱۴۲﴾
007.142 WawaAAadna moosa thalatheena laylatan waatmamnaha biAAashrin fatamma meeqatu rabbihi arbaAAeena laylatan waqala moosa li-akheehi haroona okhlufnee fee qawmee waaslih wala tattabiAA sabeela almufsideena
7:142 En Wij kenden Moesa dertig nachten toe en Wij maakten deze compleet met tien extra (nachten). Dus werd de bepaalde termijn van veertig nachten met zijn Heer vast gesteld. En Moesa zei tot zijn broer Haroen: "Neem mijn plaats in voor (het leiden) mijn volk, doe goed en volg niet de weg van de misdadigers."

وَ لَمَّا جَآءَ مُوۡسٰی لِمِیۡقَاتِنَا وَ کَلَّمَہٗ رَبُّہٗ ۙ قَالَ رَبِّ اَرِنِیۡۤ اَنۡظُرۡ اِلَیۡکَ ؕ قَالَ لَنۡ تَرٰىنِیۡ وَ لٰکِنِ انۡظُرۡ اِلَی الۡجَبَلِ فَاِنِ اسۡتَقَرَّ مَکَانَہٗ فَسَوۡفَ تَرٰىنِیۡ ۚ فَلَمَّا تَجَلّٰی رَبُّہٗ لِلۡجَبَلِ جَعَلَہٗ دَکًّا وَّ خَرَّ مُوۡسٰی صَعِقًا ۚ فَلَمَّاۤ اَفَاقَ قَالَ سُبۡحٰنَکَ تُبۡتُ اِلَیۡکَ وَ اَنَا اَوَّلُ الۡمُؤۡمِنِیۡنَ ﴿۱۴۳﴾
007.143 Walamma jaa moosa limeeqatina wakallamahu rabbuhu qala rabbi arinee anthur ilayka qala lan taranee walakini onthur ila aljabali fa-ini istaqarra makanahu fasawfa taranee falamma tajalla rabbuhu liljabali jaAAalahu dakkan wakharra moosa saAAiqan falamma afaqa qala subhanaka tubtu ilayka waana awwalu almu/mineena
7:143 En toen kwam Moesa naar Onze toegekende plek en zijn Heer sprak tot hem. Hij zei: "O mijn Heer! Geef mij de mogelijkheid om U te zien." Hij zei:" Nooit zul je Mij kunnen zien. Kijk naar deze berg als deze op zijn plek blijft dan zul je Mij zien." Echter toen zijn Heer zijn glorie toonde aan de berg, maakte Hij het tot stof en Moesa viel bewusteloos neer. En toen hij weer bijkwam zei hij: "Alle glorie komt to u! Ik keer mijzelf in berouw tot U en ik ben de eerste van de gelovigen." (Notitie: Allah accepteert het gebed van Moesa en bewijst dat het niet mogelijk is om Hem te zien. Zie ook 6:103. Echter in het hiernamaals is het wel mogelijk 75:23)

قَالَ یٰمُوۡسٰۤی اِنِّی اصۡطَفَیۡتُکَ عَلَی النَّاسِ بِرِسٰلٰتِیۡ وَ بِکَلَامِیۡ ۫ۖ فَخُذۡ مَاۤ اٰتَیۡتُکَ وَ کُنۡ مِّنَ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۱۴۴﴾
007.144 Qala ya moosa innee istafaytuka AAala alnnasi birisalatee wabikalamee fakhuth ma ataytuka wakun mina alshshakireena
7:144 Hij (Allah) zei: "O Moesa! Waarlijk, Ik heb jou uitverkoren boven de mensen door middel van Mijn boodschappen en met Mijn woorden (directe gesprekken met Allah). Dus neem wat Ik aan je gegeven heb en wees dankbaar."

وَ کَتَبۡنَا لَہٗ فِی الۡاَلۡوَاحِ مِنۡ کُلِّ شَیۡءٍ مَّوۡعِظَۃً وَّ تَفۡصِیۡلًا لِّکُلِّ شَیۡءٍ ۚ فَخُذۡہَا بِقُوَّۃٍ وَّ اۡمُرۡ قَوۡمَکَ یَاۡخُذُوۡا بِاَحۡسَنِہَا ؕ سَاُورِیۡکُمۡ دَارَ الۡفٰسِقِیۡنَ ﴿۱۴۵﴾
007.145 Wakatabna lahu fee al-alwahi min kulli shay-in mawAAithatan watafseelan likulli shay-in fakhuthha biquwwatin wa/mur qawmaka ya/khuthoo bi-ahsaniha saoreekum dara alfasiqeena
7:145 En Wij schreven voor hem op (stenen) tabletten de geboden voor als leidraad en uitleg voor alles (de Thora). "Pak het dus stevig aan en beveel je mensen het beste er uit te nemen. Ik zal jou de verblijfplaats van de provocerende ongehoorzame mensen laten zien."

سَاَصۡرِفُ عَنۡ اٰیٰتِیَ الَّذِیۡنَ یَتَکَبَّرُوۡنَ فِی الۡاَرۡضِ بِغَیۡرِ الۡحَقِّ ؕ وَ اِنۡ یَّرَوۡا کُلَّ اٰیَۃٍ لَّا یُؤۡمِنُوۡا بِہَا ۚ وَ اِنۡ یَّرَوۡا سَبِیۡلَ الرُّشۡدِ لَا یَتَّخِذُوۡہُ سَبِیۡلًا ۚ وَ اِنۡ یَّرَوۡا سَبِیۡلَ الۡغَیِّ یَتَّخِذُوۡہُ سَبِیۡلًا ؕ ذٰلِکَ بِاَنَّہُمۡ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ کَانُوۡا عَنۡہَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۱۴۶﴾
007.146 Saasrifu AAan ayatiya allatheena yatakabbaroona fee al-ardi bighayri alhaqqi wa-in yaraw kulla ayatin la yu/minoo biha wa-in yaraw sabeela alrrushdi la yattakhithoohu sabeelan wa-in yaraw sabeela alghayyi yattakhithoohu sabeelan thalika bi-annahum kaththaboo bi-ayatina wakanoo AAanha ghafileena
7:146 Ik (Allah) zal degene die onterecht hoogmoedig zijn op aarde, van Mijn tekenen afwenden. En ook al zouden ze alle tekenen zien, dan nog zouden ze er niet in geloven. En als ze het pad van de rechtvaardigheid zien, dan nemen ze het niet als een weg. Echter als ze het pad van de dwaling zien, zullen ze het nemen als een weg. Dat is dus omdat ze Onze tekenen verwierpen en ze er achteloos over waren.

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ لِقَآءِ الۡاٰخِرَۃِ حَبِطَتۡ اَعۡمَالُہُمۡ ؕ ہَلۡ یُجۡزَوۡنَ اِلَّا مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۴۷﴾٪
007.147 Waallatheena kaththaboo bi-ayatina waliqa-i al-akhirati habitat aAAmaluhum hal yujzawna illa ma kanoo yaAAmaloona
7:147 En van degenen die Onze tekenen en de ontmoeting in hiernamaals (dag des oordeels) verwerpen, hun daden zijn waardeloos. Denken ze dat ze beloond worden voor iets anders dan hun daden?

وَ اتَّخَذَ قَوۡمُ مُوۡسٰی مِنۡۢ بَعۡدِہٖ مِنۡ حُلِیِّہِمۡ عِجۡلًا جَسَدًا لَّہٗ خُوَارٌ ؕ اَلَمۡ یَرَوۡا اَنَّہٗ لَا یُکَلِّمُہُمۡ وَ لَا یَہۡدِیۡہِمۡ سَبِیۡلًا ۘ اِتَّخَذُوۡہُ وَ کَانُوۡا ظٰلِمِیۡنَ ﴿۱۴۸﴾
007.148 Waittakhatha qawmu moosa min baAAdihi min huliyyihim AAijlan jasadan lahu khuwarun alam yaraw annahu la yukallimuhum wala yahdeehim sabeelan ittakhathoohu wakanoo thalimeena
7:148 En na het vertrek van Moesa (voor de ontmoeting van zijn Heer) nam zijn volk een kalf, dat ze van hun sieraden gemaakt hadden en een loeiend geluid maakte, ter aanbidding. Zagen ze niet dat het niet kon spreken tot hen en hen niet kon leiden naar een weg? Ze namen het voor aanbidding en ze waren misdadigers.

وَ لَمَّا سُقِطَ فِیۡۤ اَیۡدِیۡہِمۡ وَ رَاَوۡا اَنَّہُمۡ قَدۡ ضَلُّوۡا ۙ قَالُوۡا لَئِنۡ لَّمۡ یَرۡحَمۡنَا رَبُّنَا وَ یَغۡفِرۡ لَنَا لَنَکُوۡنَنَّ مِنَ الۡخٰسِرِیۡنَ ﴿۱۴۹﴾
007.149 Walamma suqita fee aydeehim waraaw annahum qad dalloo qaloo la-in lam yarhamna rabbuna wayaghfir lana lanakoonanna mina alkhasireena
7:149 En toen ze (de nutteloosheid ervan) realiseerde en ze zagen dat ze inderdaad afgedwaald waren, zeiden ze:" Als ons Heer ons geen genade schenkt en ons niet vergeeft, dan zijn we zeker de verliezers."

وَ لَمَّا رَجَعَ مُوۡسٰۤی اِلٰی قَوۡمِہٖ غَضۡبَانَ اَسِفًا ۙ قَالَ بِئۡسَمَا خَلَفۡتُمُوۡنِیۡ مِنۡۢ بَعۡدِیۡ ۚ اَعَجِلۡتُمۡ اَمۡرَ رَبِّکُمۡ ۚ وَ اَلۡقَی الۡاَلۡوَاحَ وَ اَخَذَ بِرَاۡسِ اَخِیۡہِ یَجُرُّہٗۤ اِلَیۡہِ ؕ قَالَ ابۡنَ اُمَّ اِنَّ الۡقَوۡمَ اسۡتَضۡعَفُوۡنِیۡ وَ کَادُوۡا یَقۡتُلُوۡنَنِیۡ ۫ۖ فَلَا تُشۡمِتۡ بِیَ الۡاَعۡدَآءَ وَ لَا تَجۡعَلۡنِیۡ مَعَ الۡقَوۡمِ الظّٰلِمِیۡنَ ﴿۱۵۰﴾
007.150 Walamma rajaAAa moosa ila qawmihi ghadbana asifan qala bi/sama khalaftumoonee min baAAdee aAAajiltum amra rabbikum waalqa al-alwaha waakhatha bira/si akheehi yajurruhu ilayhi qala ibna omma inna alqawma istadAAafoonee wakadoo yaqtuloonanee fala tushmit biya al-aAAdaa wala tajAAalnee maAAa alqawmi alththalimeena
7:150 En toen Moesa tot zijn volk terugkeerde, boos en teleurgesteld, zei hij: "Slecht is wat jullie gedaan hebben gedurende mijn afwezigheid! Willen jullie het oordeel van jullie Heer verhaasten?" En hij de gooide de tabletten neer en greep Haroen bij zijn hoofd en trok hem naar zich toe. Hij (Haroen) zei: "O zoon van mijn moeder! Waarlijk, het volk beschouwde me zwak en ze hadden mij bijna gedood. Dus vermaak de vijand niet (door mij te vernederen). En plaats me niet tussen de misdadigers." (Notitie zien ook 20:92-94)

قَالَ رَبِّ اغۡفِرۡ لِیۡ وَ لِاَخِیۡ وَ اَدۡخِلۡنَا فِیۡ رَحۡمَتِکَ ۫ۖ وَ اَنۡتَ اَرۡحَمُ الرّٰحِمِیۡنَ ﴿۱۵۱﴾٪
007.151 Qala rabbi ighfir lee wali-akhee waadkhilna fee rahmatika waanta arhamu alrrahimeena
7:151 Hij (Moesa) zei: "O Mijn Heer! Vergeef mij en mijn broer en sta ons toe tot Uw Barmhartigheid. U bent de meest Barmhartige, de Erbarmer." (Notitie: Moesa vraagt vergiffenis voor zijn gedrag ten op zichte van de tabletten en naar zijn broer Haroen.)

اِنَّ الَّذِیۡنَ اتَّخَذُوا الۡعِجۡلَ سَیَنَالُہُمۡ غَضَبٌ مِّنۡ رَّبِّہِمۡ وَ ذِلَّۃٌ فِی الۡحَیٰوۃِ الدُّنۡیَا ؕ وَ کَذٰلِکَ نَجۡزِی الۡمُفۡتَرِیۡنَ ﴿۱۵۲﴾
007.152 Inna allatheena ittakhathoo alAAijla sayanaluhum ghadabun min rabbihim wathillatun fee alhayati alddunya wakathalika najzee almuftareena
7:152 Voorzeker, voor degenen die het kalf ter aanbidding namen, de toorn van hun Heer zal over hen komen en ook de vernedering gedurende het wereldse leven. En zo belonen we degenen die (de valsheid) verzinnen.

وَ الَّذِیۡنَ عَمِلُوا السَّیِّاٰتِ ثُمَّ تَابُوۡا مِنۡۢ بَعۡدِہَا وَ اٰمَنُوۡۤا ۫ اِنَّ رَبَّکَ مِنۡۢ بَعۡدِہَا لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۵۳﴾
007.153 Waallatheena AAamiloo alssayyi-ati thumma taboo min baAAdiha waamanoo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun
7:153 Voorzeker, degenen die de slechte daden verrichtte en vervolgens berouw toonde en gelooft, voorzeker, (weet dat) jouw Heer zeer vergevensgezind is, meest Barmhartig. (Notitie zie ook 2:54)

وَ لَمَّا سَکَتَ عَنۡ مُّوۡسَی الۡغَضَبُ اَخَذَ الۡاَلۡوَاحَ ۚۖ وَ فِیۡ نُسۡخَتِہَا ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّلَّذِیۡنَ ہُمۡ لِرَبِّہِمۡ یَرۡہَبُوۡنَ ﴿۱۵۴﴾
007.154 Walamma sakata AAan moosa alghadabu akhatha al-alwaha wafee nuskhatiha hudan warahmatun lillatheena hum lirabbihim yarhaboona
7:154 En toen Moesa na zijn woede gekalmeerd was, nam hij de tabletten (de Thora). En in de inscriptie ervan was leiding en barmhartigheid voor degenen die hun Heer vrezen.

وَ اخۡتَارَ مُوۡسٰی قَوۡمَہٗ سَبۡعِیۡنَ رَجُلًا لِّمِیۡقَاتِنَا ۚ فَلَمَّاۤ اَخَذَتۡہُمُ الرَّجۡفَۃُ قَالَ رَبِّ لَوۡ شِئۡتَ اَہۡلَکۡتَہُمۡ مِّنۡ قَبۡلُ وَ اِیَّایَ ؕ اَتُہۡلِکُنَا بِمَا فَعَلَ السُّفَہَآءُ مِنَّا ۚ اِنۡ ہِیَ اِلَّا فِتۡنَتُکَ ؕ تُضِلُّ بِہَا مَنۡ تَشَآءُ وَ تَہۡدِیۡ مَنۡ تَشَآءُ ؕ اَنۡتَ وَلِیُّنَا فَاغۡفِرۡ لَنَا وَ ارۡحَمۡنَا وَ اَنۡتَ خَیۡرُ الۡغٰفِرِیۡنَ ﴿۱۵۵﴾
007.155 Waikhtara moosa qawmahu sabAAeena rajulan limeeqatina falamma akhathat-humu alrrajfatu qala rabbi law shi/ta ahlaktahum min qablu wa-iyyaya atuhlikuna bima faAAala alssufahao minna in hiya illa fitnatuka tudillu biha man tashao watahdee man tashao anta waliyyuna faighfir lana wairhamna waanta khayru alghafireena
7:155 En Moesa koos zeventig van zijn mannen voor Onze afspraak. Toen de aardbeving hen greep, zei hij: "O mijn Heer! Als u het wilde, kon U hen en mij eerder vernietigd hebben. Wilt U ons vernietigen voor wat de dwazen van ons gedaan hebben? Het was niets anders dan Uw beproeving. U laat degenen die U wilt ermee dwalen en U leidt wie U wilt. U bent de Beschermer, dus vergeef ons en heb genade op ons. U bent de beste der Vergevers." (Notitie: zie ook 2:55)

وَ اکۡتُبۡ لَنَا فِیۡ ہٰذِہِ الدُّنۡیَا حَسَنَۃً وَّ فِی الۡاٰخِرَۃِ اِنَّا ہُدۡنَاۤ اِلَیۡکَ ؕ قَالَ عَذَابِیۡۤ اُصِیۡبُ بِہٖ مَنۡ اَشَآءُ ۚ وَ رَحۡمَتِیۡ وَسِعَتۡ کُلَّ شَیۡءٍ ؕ فَسَاَکۡتُبُہَا لِلَّذِیۡنَ یَتَّقُوۡنَ وَ یُؤۡتُوۡنَ الزَّکٰوۃَ وَ الَّذِیۡنَ ہُمۡ بِاٰیٰتِنَا یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۵۶﴾ۚ
007.156 Waoktub lana fee hathihi alddunya hasanatan wafee al-akhirati inna hudna ilayka qala AAathabee oseebu bihi man ashao warahmatee wasiAAat kulla shay-in fasaaktubuha lillatheena yattaqoona wayu/toona alzzakata waallatheena hum bi-ayatina yu/minoona
7:156 "En ken het goede voor ons toe in deze wereld en in het hiernamaals. Voorzeker, we hebben ons tot u (in berouw) gekeerd." Hij (Allah) zei: "Mijn straf ken Ik toe aan wie Ik wil, echter Mijn barmhartigheid omvat alles. En dus ken ik die toe aan degenen die Taqwa (godvrezendheid) hebben, zakaat geven en die in Onze tekenen geloven."

اَلَّذِیۡنَ یَتَّبِعُوۡنَ الرَّسُوۡلَ النَّبِیَّ الۡاُمِّیَّ الَّذِیۡ یَجِدُوۡنَہٗ مَکۡتُوۡبًا عِنۡدَہُمۡ فِی التَّوۡرٰىۃِ وَ الۡاِنۡجِیۡلِ ۫ یَاۡمُرُہُمۡ بِالۡمَعۡرُوۡفِ وَ یَنۡہٰہُمۡ عَنِ الۡمُنۡکَرِ وَ یُحِلُّ لَہُمُ الطَّیِّبٰتِ وَ یُحَرِّمُ عَلَیۡہِمُ الۡخَبٰٓئِثَ وَ یَضَعُ عَنۡہُمۡ اِصۡرَہُمۡ وَ الۡاَغۡلٰلَ الَّتِیۡ کَانَتۡ عَلَیۡہِمۡ ؕ فَالَّذِیۡنَ اٰمَنُوۡا بِہٖ وَ عَزَّرُوۡہُ وَ نَصَرُوۡہُ وَ اتَّبَعُوا النُّوۡرَ الَّذِیۡۤ اُنۡزِلَ مَعَہٗۤ ۙ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡمُفۡلِحُوۡنَ ﴿۱۵۷﴾٪
007.157 Allatheena yattabiAAoona alrrasoola alnnabiyya al-ommiyya allathee yajidoonahu maktooban AAindahum fee alttawrati waal-injeeli ya/muruhum bialmaAAroofi wayanhahum AAani almunkari wayuhillu lahumu alttayyibati wayuharrimu AAalayhimu alkhaba-itha wayadaAAu AAanhum israhum waal-aghlala allatee kanat AAalayhim faallatheena amanoo bihi waAAazzaroohu wanasaroohu waittabaAAoo alnnoora allathee onzila maAAahu ola-ika humu almuflihoona
7:157 "(En ook) degenen die de boodschapper (Mohammed) volgen, de profeet die niet lezen noch schrijven kan. Ze vinden hem vermeld in de Thora en de Indjiel. Hij beveelt hen het goede en verbied hen het slechte. En hij maakt voor hen het reine wettig en maakt het onreine onwettig. En hij haalt de lasten en de belemmeringen weg (van Allah's verbond). Dus degenen die in hem geloven en hem respecteren en hem helpen en het licht volgen, wat met hem nedergedaald is (de Koran), zij zijn degenen die groeien in succes." (Notitie: Eén van de tekenen is de komst van de profeet Mohammed. De voorgaande profeten hebben Mohamed erkent, dus ook Moesa, zie 3:81. Zijn beschrijving in de Thora en Indjiel is zo gedetailleerd, dat ze Hem zullen herkennen zoals ze hun zonen herkennen, zie 2:146 en 48:29. Dus ook Moesa heeft deze teken verkondigt aan zijn volk.)

قُلۡ یٰۤاَیُّہَا النَّاسُ اِنِّیۡ رَسُوۡلُ اللّٰہِ اِلَیۡکُمۡ جَمِیۡعَۨا الَّذِیۡ لَہٗ مُلۡکُ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ۚ لَاۤ اِلٰہَ اِلَّا ہُوَ یُحۡیٖ وَ یُمِیۡتُ ۪ فَاٰمِنُوۡا بِاللّٰہِ وَ رَسُوۡلِہِ النَّبِیِّ الۡاُمِّیِّ الَّذِیۡ یُؤۡمِنُ بِاللّٰہِ وَ کَلِمٰتِہٖ وَ اتَّبِعُوۡہُ لَعَلَّکُمۡ تَہۡتَدُوۡنَ ﴿۱۵۸﴾
007.158 Qul ya ayyuha alnnasu innee rasoolu Allahi ilaykum jameeAAan allathee lahu mulku alssamawati waal-ardi la ilaha illa huwa yuhyee wayumeetu faaminoo biAllahi warasoolihi alnnabiyyi al-ommiyyi allathee yu/minu biAllahi wakalimatihi waittabiAAoohu laAAallakum tahtadoona
7:158 Zeg (Mohammed): "O mensheid! Voorzeker, ik ben gezonden voor jullie allen als boodschapper van Allah, Degene aan Wie het koninkrijk van de hemelen en de aarde toebehoort. Er is geen enkel andere deïteit dan Hij. Hij geeft leven en doet sterven. Dus geloof in Allah en Zijn boodschapper, de ongeletterde profeet, degene die in Allah en Zijn woorden gelooft. Volg hem dus zodat jullie geleid kunnen worden."

وَ مِنۡ قَوۡمِ مُوۡسٰۤی اُمَّۃٌ یَّہۡدُوۡنَ بِالۡحَقِّ وَ بِہٖ یَعۡدِلُوۡنَ ﴿۱۵۹﴾
007.159 Wamin qawmi moosa ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaAAdiloona
7:159 En van het volk van Moesa, is er een gemeenschap die de leiding geeft op basis van de waarheid en die daardoor rechtvaardigheid vestigt (in de samenleving).

وَ قَطَّعۡنٰہُمُ اثۡنَتَیۡ عَشۡرَۃَ اَسۡبَاطًا اُمَمًا ؕ وَ اَوۡحَیۡنَاۤ اِلٰی مُوۡسٰۤی اِذِ اسۡتَسۡقٰىہُ قَوۡمُہٗۤ اَنِ اضۡرِبۡ بِّعَصَاکَ الۡحَجَرَ ۚ فَانۡۢبَجَسَتۡ مِنۡہُ اثۡنَتَا عَشۡرَۃَ عَیۡنًا ؕ قَدۡ عَلِمَ کُلُّ اُنَاسٍ مَّشۡرَبَہُمۡ ؕ وَ ظَلَّلۡنَا عَلَیۡہِمُ الۡغَمَامَ وَ اَنۡزَلۡنَا عَلَیۡہِمُ الۡمَنَّ وَ السَّلۡوٰی ؕ کُلُوۡا مِنۡ طَیِّبٰتِ مَا رَزَقۡنٰکُمۡ ؕ وَ مَا ظَلَمُوۡنَا وَ لٰکِنۡ کَانُوۡۤا اَنۡفُسَہُمۡ یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۱۶۰﴾
007.160 WaqattaAAnahumu ithnatay AAashrata asbatan omaman waawhayna ila moosa ithi istasqahu qawmuhu ani idrib biAAasaka alhajara fainbajasat minhu ithnata AAashrata AAaynan qad AAalima kullu onasin mashrabahum wathallalna AAalayhimu alghamama waanzalna AAalayhimu almanna waalssalwa kuloo min tayyibati ma razaqnakum wama thalamoona walakin kanoo anfusahum yathlimoona
7:160 En Wij verdeelden hen in twaalf stammen als leefgemeenschappen. En Wij inspireerde Moesa, toen zijn volk hem om water vroeg: "Sla met jouw staf op de steen." Vervolgens stroomden er twaalf waterbronnen eruit (zie ook 2:60). Voorzeker, elke stam wist waar zijn drink-plek was. En Wij beschutte hen met wolken en Wij zonden (vanuit de hemel) Manna en Kwartels op hen neer. "Eet van de goede dingen waarvan Wij jullie mee voorzien hebben." En ze deden Ons geen onrecht aan, maar ze deden zichzelf onrecht aan." (Notitie: Manna en Kwartel zijn een soort voedsel dat vanuit de hemel kwam.)

وَ اِذۡ قِیۡلَ لَہُمُ اسۡکُنُوۡا ہٰذِہِ الۡقَرۡیَۃَ وَ کُلُوۡا مِنۡہَا حَیۡثُ شِئۡتُمۡ وَ قُوۡلُوۡا حِطَّۃٌ وَّ ادۡخُلُوا الۡبَابَ سُجَّدًا نَّغۡفِرۡ لَکُمۡ خَطِیۡٓـٰٔتِکُمۡ ؕ سَنَزِیۡدُ الۡمُحۡسِنِیۡنَ ﴿۱۶۱﴾
007.161 Wa-ith qeela lahumu oskunoo hathihi alqaryata wakuloo minha haythu shi/tum waqooloo hittatun waodkhuloo albaba sujjadan naghfir lakum khatee-atikum sanazeedu almuhsineena
7:161 En (gedenk) toen er tot hen werd gezegd: "Leef in deze stad en eet ervan waar jullie ook wensen. En zeg:"Vergeving!", en treedt de poort prostreerend binnen. Wij zullen jullie zonden vergeven. Wij doen de gunsten toenemen voor de mensen die goed doen." (Notitie: zie ook 2:58)

فَبَدَّلَ الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا مِنۡہُمۡ قَوۡلًا غَیۡرَ الَّذِیۡ قِیۡلَ لَہُمۡ فَاَرۡسَلۡنَا عَلَیۡہِمۡ رِجۡزًا مِّنَ السَّمَآءِ بِمَا کَانُوۡا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۱۶۲﴾٪
007.162 Fabaddala allatheena thalamoo minhum qawlan ghayra allathee qeela lahum faarsalna AAalayhim rijzan mina alssama-i bima kanoo yathlimoona
7:162 Echter veranderde de slechte onder hen, het woord (van Allah) met iets anders dan tot hen was gezegd. Dus zonden Wij een straf uit de hemel op hen, omdat ze misdadigers waren.

وَ سۡـَٔلۡہُمۡ عَنِ الۡقَرۡیَۃِ الَّتِیۡ کَانَتۡ حَاضِرَۃَ الۡبَحۡرِ ۘ اِذۡ یَعۡدُوۡنَ فِی السَّبۡتِ اِذۡ تَاۡتِیۡہِمۡ حِیۡتَانُہُمۡ یَوۡمَ سَبۡتِہِمۡ شُرَّعًا وَّ یَوۡمَ لَا یَسۡبِتُوۡنَ ۙ لَا تَاۡتِیۡہِمۡ ۚۛ کَذٰلِکَ ۚۛ نَبۡلُوۡہُمۡ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۱۶۳﴾
007.163 Wais-alhum AAani alqaryati allatee kanat hadirata albahri ith yaAAdoona fee alssabti ith ta/teehim heetanuhum yawma sabtihim shurraAAan wayawma la yasbitoona la ta/teehim kathalika nabloohum bima kanoo yafsuqoona
7:163 En vraag hen over de stad die aan zee lag, waar de Sabbat werd overtreden. Op de dag van de Sabbat kwamen de vissen tot hen en waren ze dus duidelijk zichtbaar. Echter op de dagen wanneer er geen Sabbat was, kwamen ze niet tot hen. Wij beproefde hen dus omdat ze provocerend ongehoorzaam waren.

وَ اِذۡ قَالَتۡ اُمَّۃٌ مِّنۡہُمۡ لِمَ تَعِظُوۡنَ قَوۡمَۨا ۙ اللّٰہُ مُہۡلِکُہُمۡ اَوۡ مُعَذِّبُہُمۡ عَذَابًا شَدِیۡدًا ؕ قَالُوۡا مَعۡذِرَۃً اِلٰی رَبِّکُمۡ وَ لَعَلَّہُمۡ یَتَّقُوۡنَ ﴿۱۶۴﴾
007.164 Wa-ith qalat ommatun minhum lima taAAithoona qawman Allahu muhlikuhum aw muAAaththibuhum AAathaban shadeedan qaloo maAAthiratan ila rabbikum walaAAallahum yattaqoona
7:164 En gedenk toen een groep van hen zeiden: "Waarom verkondigen jullie naar mensen die Allah toch zal vernietigen of zal bestraffen met een zware straf? Ze zeiden: "Om niet beschuldigd te kunnen worden voor jullie Heer en zodat ze rechtvaardig kunnen worden."

فَلَمَّا نَسُوۡا مَا ذُکِّرُوۡا بِہٖۤ اَنۡجَیۡنَا الَّذِیۡنَ یَنۡہَوۡنَ عَنِ السُّوۡٓءِ وَ اَخَذۡنَا الَّذِیۡنَ ظَلَمُوۡا بِعَذَابٍۭ بَئِیۡسٍۭ بِمَا کَانُوۡا یَفۡسُقُوۡنَ ﴿۱۶۵﴾
007.165 Falamma nasoo ma thukkiroo bihi anjayna allatheena yanhawna AAani alssoo-i waakhathna allatheena thalamoo biAAathabin ba-eesin bima kanoo yafsuqoona
7:165 En toen ze de herinnering/waarschuwing vergaten, redden Wij degenen die het kwade verboden en Wij grepen de misdadigers met een grote straf omdat ze provocerend ongehoorzaam waren.

فَلَمَّا عَتَوۡا عَنۡ مَّا نُہُوۡا عَنۡہُ قُلۡنَا لَہُمۡ کُوۡنُوۡا قِرَدَۃً خٰسِئِیۡنَ ﴿۱۶۶﴾
007.166 Falamma AAataw AAan ma nuhoo AAanhu qulna lahum koonoo qiradatan khasi-eena
7:166 Dus op het moment dat ze alle grenzen te buiten gingen, en deden wat verboden was, zeiden Wij tot hen: "Wees vernederde apen!" (Notitie: zie ook 5:60)

وَ اِذۡ تَاَذَّنَ رَبُّکَ لَیَبۡعَثَنَّ عَلَیۡہِمۡ اِلٰی یَوۡمِ الۡقِیٰمَۃِ مَنۡ یَّسُوۡمُہُمۡ سُوۡٓءَ الۡعَذَابِ ؕ اِنَّ رَبَّکَ لَسَرِیۡعُ الۡعِقَابِ ۚۖ وَ اِنَّہٗ لَغَفُوۡرٌ رَّحِیۡمٌ ﴿۱۶۷﴾
007.167 Wa-ith taaththana rabbuka layabAAathanna AAalayhim ila yawmi alqiyamati man yasoomuhum soo-a alAAathabi inna rabbaka lasareeAAu alAAiqabi wa-innahu laghafoorun raheemun
7:167 En jouw Heer verklaarde dat Hij zeker mensen zal zenden tegen hen tot aan de dag des oordeels, die hen zwaar zullen straffen. Voorzeker, jouw Heer is snel in het vergelden, echter Hij is zeker de Meest Vergevensgezinde, de meest Barmhartige.

وَ قَطَّعۡنٰہُمۡ فِی الۡاَرۡضِ اُمَمًا ۚ مِنۡہُمُ الصّٰلِحُوۡنَ وَ مِنۡہُمۡ دُوۡنَ ذٰلِکَ ۫ وَ بَلَوۡنٰہُمۡ بِالۡحَسَنٰتِ وَ السَّیِّاٰتِ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۱۶۸﴾
007.168 WaqattaAAnahum fee al-ardi omaman minhumu alssalihoona waminhum doona thalika wabalawnahum bialhasanati waalssayyi-ati laAAallahum yarjiAAoona
7:168 En Wij verdeelden hen op de wereld in verschillende leefgemeenschappen. Onder hen zijn er rechtvaardige mensen en onder hen zijn er die dat niet zijn. En Wij beproefde hen met het goede en het kwade, zodat ze terug konden keren (naar dankbaarheid en gedenken van hun heer).

فَخَلَفَ مِنۡۢ بَعۡدِہِمۡ خَلۡفٌ وَّرِثُوا الۡکِتٰبَ یَاۡخُذُوۡنَ عَرَضَ ہٰذَا الۡاَدۡنٰی وَ یَقُوۡلُوۡنَ سَیُغۡفَرُ لَنَا ۚ وَ اِنۡ یَّاۡتِہِمۡ عَرَضٌ مِّثۡلُہٗ یَاۡخُذُوۡہُ ؕ اَلَمۡ یُؤۡخَذۡ عَلَیۡہِمۡ مِّیۡثَاقُ الۡکِتٰبِ اَنۡ لَّا یَقُوۡلُوۡا عَلَی اللّٰہِ اِلَّا الۡحَقَّ وَ دَرَسُوۡا مَا فِیۡہِ ؕ وَ الدَّارُ الۡاٰخِرَۃُ خَیۡرٌ لِّلَّذِیۡنَ یَتَّقُوۡنَ ؕ اَفَلَا تَعۡقِلُوۡنَ ﴿۱۶۹﴾
007.169 Fakhalafa min baAAdihim khalfun warithoo alkitaba ya/khuthoona AAarada hatha al-adna wayaqooloona sayughfaru lana wa-in ya/tihim AAaradun mithluhu ya/khuthoohu alam yu/khath AAalayhim meethaqu alkitabi an la yaqooloo AAala Allahi illa alhaqqa wadarasoo ma feehi waalddaru al-akhiratu khayrun lillatheena yattaqoona afala taAAqiloona
7:169 Vervolgens erfde na hen de opvolgende generaties het boek. Deze nemen echter de tijdelijke genietingen van het wereldse leven en ze zeggen: "Het zal ons vergeven worden." En als ze nogmaals het gelijke aanbod zouden krijgen (van de wereldse genietingen) dan zullen ze het weer aannemen (en dus de zelfde zonden begaan). Was er geen verbond met hen en het boek afgesloten, waarin er vermeld staat dat ze niets over Allah zullen zeggen dan de waarheid? En ze bestuderen wat erin staat. En het huis van het hiernamaals, dat bedoeld is voor de godvrezende, is beter. Waarom gebruiken jullie je verstand dan niet? (Notitie: Het gaat hier om zonden die bewust begaan worden en die gestimuleerd worden door het verkondigen van de leugen, dat Allah het hen zal vergeven, omdat ze denken de geliefden van Allah zijn 62:6 en 5:18)

وَ الَّذِیۡنَ یُمَسِّکُوۡنَ بِالۡکِتٰبِ وَ اَقَامُوا الصَّلٰوۃَ ؕ اِنَّا لَا نُضِیۡعُ اَجۡرَ الۡمُصۡلِحِیۡنَ ﴿۱۷۰﴾
007.170 Waallatheena yumassikoona bialkitabi waaqamoo alssalata inna la nudeeAAu ajra almusliheena
7:170 En degenen die zich vasthouden aan het boek en de salaat onderhouden, voorzeker, Wij zullen nooit de beloning van degenen die goede daden verrichten verloren doen gaan.

وَ اِذۡ نَتَقۡنَا الۡجَبَلَ فَوۡقَہُمۡ کَاَنَّہٗ ظُلَّۃٌ وَّ ظَنُّوۡۤا اَنَّہٗ وَاقِعٌۢ بِہِمۡ ۚ خُذُوۡا مَاۤ اٰتَیۡنٰکُمۡ بِقُوَّۃٍ وَّ اذۡکُرُوۡا مَا فِیۡہِ لَعَلَّکُمۡ تَتَّقُوۡنَ ﴿۱۷۱﴾٪
007.171 Wa-ith nataqna aljabala fawqahum kaannahu thullatun wathannoo annahu waqiAAun bihim khuthoo ma ataynakum biquwwatin waothkuroo ma feehi laAAallakum tattaqoona
7:171 En (gedenk) toen Wij de berg verhieven over hen heen alsof het een bedekking was en ze dachten dat het op hen zou vallen. (Wij zeiden:)" Hou stevig vast aan datgeen wat Wij jullie gegeven hebben. En gedenk wat er in is, zodat jullie Allah kunnen vrezen." (Notitie: zie ook, 4:154)

وَ اِذۡ اَخَذَ رَبُّکَ مِنۡۢ بَنِیۡۤ اٰدَمَ مِنۡ ظُہُوۡرِہِمۡ ذُرِّیَّتَہُمۡ وَ اَشۡہَدَہُمۡ عَلٰۤی اَنۡفُسِہِمۡ ۚ اَلَسۡتُ بِرَبِّکُمۡ ؕ قَالُوۡا بَلٰی ۚۛ شَہِدۡنَا ۚۛ اَنۡ تَقُوۡلُوۡا یَوۡمَ الۡقِیٰمَۃِ اِنَّا کُنَّا عَنۡ ہٰذَا غٰفِلِیۡنَ ﴿۱۷۲﴾ۙ
007.172 Wa-ith akhatha rabbuka min banee adama min thuhoorihim thurriyyatahum waashhadahum AAala anfusihim alastu birabbikum qaloo bala shahidna an taqooloo yawma alqiyamati inna kunna AAan hatha ghafileena
7:172 En (gedenk) toen jouw Heer alle nakomelingen van Adam uit zijn rug nam en liet getuigen over hunzelf: "Ben Ik niet jullie Heer?" Ze zeiden: "Ja, wij getuigen." Zodat jullie op dag des oordeels niet kunnen zeggen: "Wij wisten hier niets van."

اَوۡ تَقُوۡلُوۡۤا اِنَّمَاۤ اَشۡرَکَ اٰبَآؤُنَا مِنۡ قَبۡلُ وَ کُنَّا ذُرِّیَّۃً مِّنۡۢ بَعۡدِہِمۡ ۚ اَفَتُہۡلِکُنَا بِمَا فَعَلَ الۡمُبۡطِلُوۡنَ ﴿۱۷۳﴾
007.173 Aw taqooloo innama ashraka abaona min qablu wakunna thurriyyatan min baAAdihim afatuhlikuna bima faAAala almubtiloona
7:173 En dat jullie niet kunnen zeggen:" Onze voorvaders kenden slechts deelgenoten toe en wij zijn slechts nakomelingen van hen. Wilt U ons dan vernietigen voor hetgeen de vervalsers deden?"

وَ کَذٰلِکَ نُفَصِّلُ الۡاٰیٰتِ وَ لَعَلَّہُمۡ یَرۡجِعُوۡنَ ﴿۱۷۴﴾
007.174 Wakathalika nufassilu al-ayati walaAAallahum yarjiAAoona
7:174 En dus leggen Wij de Verzen uit, zodat ze terug kunnen keren (naar de dankbaarheid en aanbidding van hun Heer).

وَ اتۡلُ عَلَیۡہِمۡ نَبَاَ الَّذِیۡۤ اٰتَیۡنٰہُ اٰیٰتِنَا فَانۡسَلَخَ مِنۡہَا فَاَتۡبَعَہُ الشَّیۡطٰنُ فَکَانَ مِنَ الۡغٰوِیۡنَ ﴿۱۷۵﴾
007.175 Waotlu AAalayhim nabaa allathee ataynahu ayatina fainsalakha minha faatbaAAahu alshshaytanu fakana mina alghaweena
7:175 En vertel hen het verhaal van degene aan wie Wij Onze tekenen gaven. Echter hij maakte zich ervan los. Dus volgde de Satan hem en werd dus dwalend. (Notitie zie ook 43:36, )

وَ لَوۡ شِئۡنَا لَرَفَعۡنٰہُ بِہَا وَ لٰکِنَّہٗۤ اَخۡلَدَ اِلَی الۡاَرۡضِ وَ اتَّبَعَ ہَوٰىہُ ۚ فَمَثَلُہٗ کَمَثَلِ الۡکَلۡبِ ۚ اِنۡ تَحۡمِلۡ عَلَیۡہِ یَلۡہَثۡ اَوۡ تَتۡرُکۡہُ یَلۡہَثۡ ؕ ذٰلِکَ مَثَلُ الۡقَوۡمِ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا ۚ فَاقۡصُصِ الۡقَصَصَ لَعَلَّہُمۡ یَتَفَکَّرُوۡنَ ﴿۱۷۶﴾
007.176 Walaw shi/na larafaAAnahu biha walakinnahu akhlada ila al-ardi waittabaAAa hawahu famathaluhu kamathali alkalbi in tahmil AAalayhi yalhath aw tatruk-hu yalhath thalika mathalu alqawmi allatheena kaththaboo bi-ayatina faoqsusi alqasasa laAAallahum yatafakkaroona
7:176 En als Wij het wilde, dan konden Wij hem zeker verheffen met deze (Onze tekenen). Echter hij hield zich vast aan het wereldse leven en volgende zijn ijdele begeerten. Zijn overeenkomst is net als die van een hond. Als je hem aanvalt, dan steekt hij zijn tong uit en als je hem met rust laat, dan steekt hij ook zijn tong uit. Dat is een gelijkenis van mensen die onze tekenen verwerpen. Dus vertel het verhaal, zodat ze erover na kunnen denken.

سَآءَ مَثَلَاۨ الۡقَوۡمُ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا وَ اَنۡفُسَہُمۡ کَانُوۡا یَظۡلِمُوۡنَ ﴿۱۷۷﴾
007.177 Saa mathalan alqawmu allatheena kaththaboo bi-ayatina waanfusahum kanoo yathlimoona
7:177 Zeer slecht is de vergelijking van mensen die Onze tekenen verwerpen en zichzelf onrecht aandoen.

مَنۡ یَّہۡدِ اللّٰہُ فَہُوَ الۡمُہۡتَدِیۡ ۚ وَ مَنۡ یُّضۡلِلۡ فَاُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡخٰسِرُوۡنَ ﴿۱۷۸﴾
007.178 Man yahdi Allahu fahuwa almuhtadee waman yudlil faola-ika humu alkhasiroona
7:178 Wie door Allah geleid wordt, is degenen die de leiding volgt. En degenen die Hij laat dwalen dat zijn de verliezers. (Zie ook 7:189)

وَ لَقَدۡ ذَرَاۡنَا لِجَہَنَّمَ کَثِیۡرًا مِّنَ الۡجِنِّ وَ الۡاِنۡسِ ۫ۖ لَہُمۡ قُلُوۡبٌ لَّا یَفۡقَہُوۡنَ بِہَا ۫ وَ لَہُمۡ اَعۡیُنٌ لَّا یُبۡصِرُوۡنَ بِہَا ۫ وَ لَہُمۡ اٰذَانٌ لَّا یَسۡمَعُوۡنَ بِہَا ؕ اُولٰٓئِکَ کَالۡاَنۡعَامِ بَلۡ ہُمۡ اَضَلُّ ؕ اُولٰٓئِکَ ہُمُ الۡغٰفِلُوۡنَ ﴿۱۷۹﴾
007.179 Walaqad thara/na lijahannama katheeran mina aljinni waal-insi lahum quloobun la yafqahoona biha walahum aAAyunun la yubsiroona biha walahum athanun la yasmaAAoona biha ola-ika kaal-anAAami bal hum adallu ola-ika humu alghafiloona
7:179 En voorzeker, Wij hebben veel van de djiens en de mensen voor de hel geschapen. Ze hebben harten, maar ze begrijpen er niet mee. En voor hen zijn er ogen, echter ze kijken er niet mee. En voor hen zijn er oren maar ze horen er niet mee. Ze zijn net als vee. Nee! Ze zijn verder afgedwaald. Ze zijn degenen die achteloos zijn (voor Allah's tekenen). (Notitie: Zie ook 2:171)

وَ لِلّٰہِ الۡاَسۡمَآءُ الۡحُسۡنٰی فَادۡعُوۡہُ بِہَا ۪ وَ ذَرُوا الَّذِیۡنَ یُلۡحِدُوۡنَ فِیۡۤ اَسۡمَآئِہٖ ؕ سَیُجۡزَوۡنَ مَا کَانُوۡا یَعۡمَلُوۡنَ ﴿۱۸۰﴾
007.180 Walillahi al-asmao alhusna faodAAoohu biha watharoo allatheena yulhidoona fee asma-ihi sayujzawna ma kanoo yaAAmaloona
7:180 En voor Allah zijn er de meest mooie namen. Dus roep Hem er mee aan. En laat degenen die ervan afwijken (misbruik, ontkennen, etc). Ze zullen vergolden worden voor wat ze doen.

وَ مِمَّنۡ خَلَقۡنَاۤ اُمَّۃٌ یَّہۡدُوۡنَ بِالۡحَقِّ وَ بِہٖ یَعۡدِلُوۡنَ ﴿۱۸۱﴾٪
007.181 Wamimman khalaqna ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaAAdiloona
7:181 En onder degenen die Wij hebben geschapen is er een gemeenschap, die leiding geeft met de waarheid en daardoor rechtvaardigheid vestigt (in de samenleving).

وَ الَّذِیۡنَ کَذَّبُوۡا بِاٰیٰتِنَا سَنَسۡتَدۡرِجُہُمۡ مِّنۡ حَیۡثُ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۸۲﴾ۚۖ
007.182 Waallatheena kaththaboo bi-ayatina sanastadrijuhum min haythu la yaAAlamoona
7:182 Maar degenen die Onze tekenen verwerpen, Wij zullen hen geleidelijk leiden (naar de straf) zodat ze het niet weten. (Notitie zie: 6:44-45)

وَ اُمۡلِیۡ لَہُمۡ ؕ۟ اِنَّ کَیۡدِیۡ مَتِیۡنٌ ﴿۱۸۳﴾
007.183 Waomlee lahum inna kaydee mateenun
7:183 En Ik zal hen uitstel geven. Voorzeker, Mijn plan staat vast.

اَوَ لَمۡ یَتَفَکَّرُوۡا ٜ مَا بِصَاحِبِہِمۡ مِّنۡ جِنَّۃٍ ؕ اِنۡ ہُوَ اِلَّا نَذِیۡرٌ مُّبِیۡنٌ ﴿۱۸۴﴾
007.184 Awa lam yatafakkaroo ma bisahibihim min jinnatin in huwa illa natheerun mubeenun
7:184 Denken ze niet na? Hun metgezel is niet geestelijk ziek. Hij is slechts een duidelijke waarschuwer.

اَوَ لَمۡ یَنۡظُرُوۡا فِیۡ مَلَکُوۡتِ السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ وَ مَا خَلَقَ اللّٰہُ مِنۡ شَیۡءٍ ۙ وَّ اَنۡ عَسٰۤی اَنۡ یَّکُوۡنَ قَدِ اقۡتَرَبَ اَجَلُہُمۡ ۚ فَبِاَیِّ حَدِیۡثٍۭ بَعۡدَہٗ یُؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۸۵﴾
007.185 Awalam yanthuroo fee malakooti alssamawati waal-ardi wama khalaqa Allahu min shay-in waan AAasa an yakoona qadi iqtaraba ajaluhum fabi-ayyi hadeethin baAAdahu yu/minoona
7:185 Kijken ze niet naar het koninkrijk van de hemelen en de aarde, en naar alles wat Allah geschapen heeft of dat misschien hun dood dichtbij is? En in welke boodschap\verklaring na deze, zullen ze dan geloven?

مَنۡ یُّضۡلِلِ اللّٰہُ فَلَا ہَادِیَ لَہٗ ؕ وَ یَذَرُہُمۡ فِیۡ طُغۡیَانِہِمۡ یَعۡمَہُوۡنَ ﴿۱۸۶﴾
007.186 Man yudlili Allahu fala hadiya lahu wayatharuhum fee tughyanihim yaAAmahoona
7:186 En voor degene die Allah laat dwalen, is er geen leiding. En Hij laat hun verkeren in hun overtreding, blindelings dwalend. (Notitie: Iedereen heeft verklaart dat Allah de Heer is, zie 7:172. Allah verklaart hier dat door het verwerpen van Allah's tekenen (boodschap,etc) er geen andere leiding is en dat je daardoor dwaalt. Met andere woorden de verantwoordelijkheid van iemand die afgedwaald is ligt bij hem zelf en niet bij Allah. Zie ook 39-36).

یَسۡـَٔلُوۡنَکَ عَنِ السَّاعَۃِ اَیَّانَ مُرۡسٰہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَا عِلۡمُہَا عِنۡدَ رَبِّیۡ ۚ لَا یُجَلِّیۡہَا لِوَقۡتِہَاۤ اِلَّا ہُوَ ؕۘؔ ثَقُلَتۡ فِی السَّمٰوٰتِ وَ الۡاَرۡضِ ؕ لَا تَاۡتِیۡکُمۡ اِلَّا بَغۡتَۃً ؕ یَسۡـَٔلُوۡنَکَ کَاَنَّکَ حَفِیٌّ عَنۡہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَا عِلۡمُہَا عِنۡدَ اللّٰہِ وَ لٰکِنَّ اَکۡثَرَ النَّاسِ لَا یَعۡلَمُوۡنَ ﴿۱۸۷﴾
007.187 Yas-aloonaka AAani alssaAAati ayyana mursaha qul innama AAilmuha AAinda rabbee la yujalleeha liwaqtiha illa huwa thaqulat fee alssamawati waal-ardi la ta/teekum illa baghtatan yas-aloonaka kaannaka hafiyyun AAanha qul innama AAilmuha AAinda Allahi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona
7:187 Ze vragen jou over het uur (de dag des oordeels): "Wanneer zal het plaatsvinden?" Zeg: "De kennis daarvan is alleen bij mijn Heer, niemand kan de tijd ervan onthullen, behalve Hij. De kwestie ligt zwaar in de hemelen en op de aarde. Het zal niet anders dan plotseling tot jullie komen." Ze vragen jou alsof jij er veel over weet. Zeg:"De kennis daarvan is alleen bij Allah, maar de meeste van de mensen weten het niet." (Notitie: zie ook 31:34)

قُلۡ لَّاۤ اَمۡلِکُ لِنَفۡسِیۡ نَفۡعًا وَّ لَا ضَرًّا اِلَّا مَا شَآءَ اللّٰہُ ؕ وَ لَوۡ کُنۡتُ اَعۡلَمُ الۡغَیۡبَ لَاسۡتَکۡثَرۡتُ مِنَ الۡخَیۡرِۚۖۛ وَ مَا مَسَّنِیَ السُّوۡٓءُ ۚۛ اِنۡ اَنَا اِلَّا نَذِیۡرٌ وَّ بَشِیۡرٌ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۱۸۸﴾٪
007.188 Qul la amliku linafsee nafAAan wala darran illa ma shaa Allahu walaw kuntu aAAlamu alghayba laistakthartu mina alkhayri wama massaniya alssoo-o in ana illa natheerun wabasheerun liqawmin yu/minoona
7:188 Zeg: "Ik heb geen enkel macht om mezelf voordeel of schaden toe te brengen, behalve wat Allah wilt. En als ik kennis zou hebben van de Ghayb (het ongeziene), dan zou ik zeker voor mezelf het goede vermeerdert hebben en dan zou het kwade mij niet kunnen aanraken. Ik ben niets anders dan een waarschuwer en een brenger van het goede nieuws (paradijs) voor mensen die geloven. (Notitie: Zie ook 72:26)

ہُوَ الَّذِیۡ خَلَقَکُمۡ مِّنۡ نَّفۡسٍ وَّاحِدَۃٍ وَّ جَعَلَ مِنۡہَا زَوۡجَہَا لِیَسۡکُنَ اِلَیۡہَا ۚ فَلَمَّا تَغَشّٰہَا حَمَلَتۡ حَمۡلًا خَفِیۡفًا فَمَرَّتۡ بِہٖ ۚ فَلَمَّاۤ اَثۡقَلَتۡ دَّعَوَا اللّٰہَ رَبَّہُمَا لَئِنۡ اٰتَیۡتَنَا صَالِحًا لَّنَکُوۡنَنَّ مِنَ الشّٰکِرِیۡنَ ﴿۱۸۹﴾
007.189 Huwa allathee khalaqakum min nafsin wahidatin wajaAAala minha zawjaha liyaskuna ilayha falamma taghashshaha hamalat hamlan khafeefan famarrat bihi falamma athqalat daAAawa Allaha rabbahuma la-in ataytana salihan lanakoonanna mina alshshakireena
7:189 Hij is Degene Die jullie uit één enkele Nafs (persoon) heeft geschapen en daarvan maakte Hij zijn metgezel, zodat hij (de man) met haar (de vrouw) het leven kan delen. En wanneer hij haar bedekt, draagt ze een lichte last dat verder groeit. En wanneer ze zwaar wordt, roepen ze beide Allah, hun Heer, aan:" Als U ons een gezond\goed kind geeft, dan zullen we zeker dankbaar zijn."

فَلَمَّاۤ اٰتٰہُمَا صَالِحًا جَعَلَا لَہٗ شُرَکَآءَ فِیۡمَاۤ اٰتٰہُمَا ۚ فَتَعٰلَی اللّٰہُ عَمَّا یُشۡرِکُوۡنَ ﴿۱۹۰﴾
007.190 Falamma atahuma salihan jaAAala lahu shurakaa feema atahuma fataAAala Allahu AAamma yushrikoona
7:190 Maar wanneer Hij hen een gezond\deugdzaam kind geeft, kennen ze Hem (Allah) deelgenoten toe van datgeen wat Hij hen heeft gegeven. Hoog verheven is Allah boven datgeen wat ze aan Hem toekenen.

اَیُشۡرِکُوۡنَ مَا لَا یَخۡلُقُ شَیۡئًا وَّ ہُمۡ یُخۡلَقُوۡنَ ﴿۱۹۱﴾۫ۖ
007.191 Ayushrikoona ma la yakhluqu shay-an wahum yukhlaqoona
7:191 Kennen ze deelgenoten\partners (aan Allah) toe, die niets kunnen scheppen en die zelf gecreëerd zijn?

وَ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ لَہُمۡ نَصۡرًا وَّ لَاۤ اَنۡفُسَہُمۡ یَنۡصُرُوۡنَ ﴿۱۹۲﴾
007.192 Wala yastateeAAoona lahum nasran wala anfusahum yansuroona
7:192 En die niet instaat zijn om hen enig hulp te bieden en zichzelf niet eens kunnen helpen?

وَ اِنۡ تَدۡعُوۡہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی لَا یَتَّبِعُوۡکُمۡ ؕ سَوَآءٌ عَلَیۡکُمۡ اَدَعَوۡتُمُوۡہُمۡ اَمۡ اَنۡتُمۡ صَامِتُوۡنَ ﴿۱۹۳﴾
007.193 Wa-in tadAAoohum ila alhuda la yattabiAAookum sawaon AAalaykum adaAAawtumoohum am antum samitoona
7:193 En als jullie hen (de toegekende deelgenoten) tot leiding roepen, dan zullen ze jullie niet volgen. Het is hetzelfde voor jullie of jullie hen aanroepen of niet.

اِنَّ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِ اللّٰہِ عِبَادٌ اَمۡثَالُکُمۡ فَادۡعُوۡہُمۡ فَلۡیَسۡتَجِیۡبُوۡا لَکُمۡ اِنۡ کُنۡتُمۡ صٰدِقِیۡنَ ﴿۱۹۴﴾
007.194 Inna allatheena tadAAoona min dooni Allahi AAibadun amthalukum faodAAoohum falyastajeeboo lakum in kuntum sadiqeena
7:194 Voorwaar, de deelgenoten zijn slaven net als jullie. Dus roep hen aan en laat hen dan jullie antwoorden, als jullie streven naar de waarheid.

اَلَہُمۡ اَرۡجُلٌ یَّمۡشُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اَیۡدٍ یَّبۡطِشُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اَعۡیُنٌ یُّبۡصِرُوۡنَ بِہَاۤ ۫ اَمۡ لَہُمۡ اٰذَانٌ یَّسۡمَعُوۡنَ بِہَا ؕ قُلِ ادۡعُوۡا شُرَکَآءَکُمۡ ثُمَّ کِیۡدُوۡنِ فَلَا تُنۡظِرُوۡنِ ﴿۱۹۵﴾
007.195 Alahum arjulun yamshoona biha am lahum aydin yabtishoona biha am lahum aAAyunun yubsiroona biha am lahum athanun yasmaAAoona biha quli odAAoo shurakaakum thumma keedooni fala tunthirooni
7:195 Hebben ze voeten om er op te lopen of hebben ze handen om er mee vast te houden? Of hebben ze ogen om ermee te zien, of hebben ze oren om ermee te horen? Zeg:" Roep jullie deelgenoten en plan een complot tegen mij en geef me geen uitstel."

اِنَّ وَلِیَِّۧ اللّٰہُ الَّذِیۡ نَزَّلَ الۡکِتٰبَ ۫ۖ وَ ہُوَ یَتَوَلَّی الصّٰلِحِیۡنَ ﴿۱۹۶﴾
007.196 Inna waliyyiya Allahu allathee nazzala alkitaba wahuwa yatawalla alssaliheena
7:196 "Voorzeker, mijn beschermer is Allah, Degenen Die het boek (de Koran) heeft neergezonden. En Hij beschermt de rechtvaardigen."

وَ الَّذِیۡنَ تَدۡعُوۡنَ مِنۡ دُوۡنِہٖ لَا یَسۡتَطِیۡعُوۡنَ نَصۡرَکُمۡ وَ لَاۤ اَنۡفُسَہُمۡ یَنۡصُرُوۡنَ ﴿۱۹۷﴾
007.197 Waallatheena tadAAoona min doonihi la yastateeAAoona nasrakum wala anfusahum yansuroona
7:197 "En degenen die jullie naast Hem (Allah) aanroepen, zijn niet instaat om jullie te helpen, noch kunnen ze zichzelf helpen."

وَ اِنۡ تَدۡعُوۡہُمۡ اِلَی الۡہُدٰی لَا یَسۡمَعُوۡا ؕ وَ تَرٰىہُمۡ یَنۡظُرُوۡنَ اِلَیۡکَ وَ ہُمۡ لَا یُبۡصِرُوۡنَ ﴿۱۹۸﴾
007.198 Wa-in tadAAoohum ila alhuda la yasmaAAoo watarahum yanthuroona ilayka wahum la yubsiroona
7:198 En als jullie hen tot de leiding roepen horen ze jullie niet. En jullie zien hen naar jullie kijken, echter ze zien jullie niet.

خُذِ الۡعَفۡوَ وَ اۡمُرۡ بِالۡعُرۡفِ وَ اَعۡرِضۡ عَنِ الۡجٰہِلِیۡنَ ﴿۱۹۹﴾
007.199 Khuthi alAAafwa wa/mur bialAAurfi waaAArid AAani aljahileena
7:199 Hou vast aan de vergiffenis en beveel tot fatsoenlijkheid en wendt je af van de verstandeloze.

وَ اِمَّا یَنۡزَغَنَّکَ مِنَ الشَّیۡطٰنِ نَزۡغٌ فَاسۡتَعِذۡ بِاللّٰہِ ؕ اِنَّہٗ سَمِیۡعٌ عَلِیۡمٌ ﴿۲۰۰﴾
007.200 Wa-imma yanzaghannaka mina alshshaytani nazghun faistaAAith biAllahi innahu sameeAAun AAaleemun
7:200 En als er een kwade ingeving tot je komt van de satan, zoek dan je toevlucht bij Allah. Voorzeker, Hij is Samie'a (de Al-horende), Aliem (de Alwetende) (Notitie: zie ook 41:36).

اِنَّ الَّذِیۡنَ اتَّقَوۡا اِذَا مَسَّہُمۡ طٰٓئِفٌ مِّنَ الشَّیۡطٰنِ تَذَکَّرُوۡا فَاِذَا ہُمۡ مُّبۡصِرُوۡنَ ﴿۲۰۱﴾ۚ
007.201 Inna allatheena ittaqaw itha massahum ta-ifun mina alshshaytani tathakkaroo fa-itha hum mubsiroona
7:201 Voorzeker, degenen die (Allah) vrezen, wanneer er bij hen een kwade ingeving van de satan zich voordoet, dan gedenken ze (Allah) en vervolgens zien ze duidelijk de waarheid. (Notitie: zie ook 15:42)

وَ اِخۡوَانُہُمۡ یَمُدُّوۡنَہُمۡ فِی الۡغَیِّ ثُمَّ لَا یُقۡصِرُوۡنَ ﴿۲۰۲﴾
007.202 Wa-ikhwanuhum yamuddoonahum fee alghayyi thumma la yuqsiroona
7:202 Echter, hun (duivelse) broeders verschaffen hen het slechte (en willen graag dat ze de fout begaan) en stoppen er niet mee. (Notitie, zie ook surah 114)

وَ اِذَا لَمۡ تَاۡتِہِمۡ بِاٰیَۃٍ قَالُوۡا لَوۡ لَا اجۡتَبَیۡتَہَا ؕ قُلۡ اِنَّمَاۤ اَتَّبِعُ مَا یُوۡحٰۤی اِلَیَّ مِنۡ رَّبِّیۡ ۚ ہٰذَا بَصَآئِرُ مِنۡ رَّبِّکُمۡ وَ ہُدًی وَّ رَحۡمَۃٌ لِّقَوۡمٍ یُّؤۡمِنُوۡنَ ﴿۲۰۳﴾
007.203 Wa-itha lam ta/tihim bi-ayatin qaloo lawla ijtabaytaha qul innama attabiAAu ma yooha ilayya min rabbee hatha basa-iru min rabbikum wahudan warahmatun liqawmin yu/minoona
7:203 En wanneer je niet met een vers tot hen komt, zeggen ze: "Waarom verzin je er niet één?" Zeg: "Ik volg slecht datgeen wat van mijn Heer tot mij geopenbaard is. Dit is een verlichting en een leiding van jullie Heer en de barmhartigheid voor een volk dat gelooft."

وَ اِذَا قُرِیَٔ الۡقُرۡاٰنُ فَاسۡتَمِعُوۡا لَہٗ وَ اَنۡصِتُوۡا لَعَلَّکُمۡ تُرۡحَمُوۡنَ ﴿۲۰۴﴾
007.204 Wa-itha quri-a alqur-anu faistamiAAoo lahu waansitoo laAAallakum turhamoona
7:204 En wanneer de Koran gereciteerd wordt, luister er aandachtig naar en wees stil zodat jullie de barmhartigheid ervan kan verkrijgen.

وَ اذۡکُرۡ رَّبَّکَ فِیۡ نَفۡسِکَ تَضَرُّعًا وَّ خِیۡفَۃً وَّ دُوۡنَ الۡجَہۡرِ مِنَ الۡقَوۡلِ بِالۡغُدُوِّ وَ الۡاٰصَالِ وَ لَا تَکُنۡ مِّنَ الۡغٰفِلِیۡنَ ﴿۲۰۵﴾
007.205 Waothkur rabbaka fee nafsika tadarruAAan wakheefatan wadoona aljahri mina alqawli bialghuduwwi waal-asali wala takun mina alghafileena
7:205 En gedenk jouw Heer met nederigheid en vrees in jezelf, zonder het uit te spreken, gedurende de ochtend en gedurende de avond. En wees niet achteloos (in het gedenken van Allah).

اِنَّ الَّذِیۡنَ عِنۡدَ رَبِّکَ لَا یَسۡتَکۡبِرُوۡنَ عَنۡ عِبَادَتِہٖ وَ یُسَبِّحُوۡنَہٗ وَ لَہٗ یَسۡجُدُوۡنَ ﴿۲۰۶﴾٪ٛ
007.206 Inna allatheena AAinda rabbika la yastakbiroona AAan AAibadatihi wayusabbihoonahu walahu yasjudoona
7:206 Voorzeker, degenen die dichtbij jouw Heer zijn (de engelen), ze keren zich niet in hoogmoed weg van Zijn aanbidding. En ze verheerlijken Hem en ze prostreren voor Hem. (Notitie: Sejdha Tilawet)


www.heiligekoran.nl